Jeanne

Informatie
Geschreven door Marius
Geplaatst op 09 mei 2020
Hoofdcategorie Historisch | Fantasy | Sprookjes
Aantal reacties: 2
1751 woorden | Leestijd 9 minuten


Orléans, 7 mei 1429

Hoewel buiten nog steeds de bekende geluiden van trommels, schalmeien en dronken soldaten over de velden waaiden, zat zij in stilte in mijn gezelschap in de tent. Het was donker geworden. Donkerder dan in de stad zelf, waar vreugdevuren ontstoken waren en waar de uitzinnige soldaten van het Franse leger hun verbazingwekkende overwinning tot in de kleine uurtjes zouden blijven vieren. Intussen zat hier, in het kamp buiten de stad, waar alleen haar naaste adviseurs en dienstmeisjes waren overgebleven, de legendarische aanvoerster van het herboren Frankrijk. Jeanne d'Arc.

In niets had zij geleken op het boerenmeisje dat zij zo kort geleden nog geweest moest zijn. Ik had haar die ochtend voor het eerst gezien, toen ze uitreed naar de muren van de stad om hen, samen met hun Engelse bezetters, te breken. De vele verhalen over haar hadden de wildste vormen aangenomen, maar alle omschrijvingen kwamen in zoverre overeen dat Jeanne d'Arc, het meisje uit Domrémy, als een man haar leger aanvoerde en in haar vertoning niet onderdeed voor de grootste helden van weleer.

Toen ze in het vroege ochtendlicht voorbij was komen galopperen had het mij inderdaad moeite gekost om haar te zien als het meisje dat zij eigenlijk was. In haar zware harnas, met het vaandel in haar hand en met haar vastberaden gezicht was ze niet te onderscheiden geweest van haar metgezellen, als haar gezicht haar niet verraden had. In een oogwenk was ze me voorbijgereden, maar even had ze me aangekeken. Haar kortgeknipte, jongensachtige kapsel, de modderspatten op haar wangen en de ruwe, rode huid van iemand die al weken in de buitenlucht leefde deden me even twijfelen of deze ruiter wel echt de legendarische Jeanne d'Arc was, maar door dit verweerde en verharde oppervlak heen zag ik toch het meisje erachter. Haar jonge vrouwelijkheid werd verraden door haar ronde, bruine ogen, vastberaden en doelgericht als een roofdier dat op zijn prooi afsluipt, maar tegelijkertijd toch zachter en begrijpender dan die van haar mannelijke medestrijders. Ze hadden een treurende, bijna rouwende glans, alsof ze tegen beter weten in duizenden mannen, uitzinnig van passie en wraaklust, hun dood tegemoet joeg. Haar gezicht, hoe gehavend ook, was ronder dan die van de man waar ik haar even voor gehouden had, haar schrale neus kleiner en parmantiger, haar gekloofde lippen voller en roder, als een roos na een regenstorm. Door de klamme dauw en de motregen plakken haar korte, bruine haren in warrige striemen langs haar gezichtje en het vuil droop in lange stromen langs haar fijne hals omlaag, tot het verdween in haar harnas.

Aan het eind van die glorieuze dag, kijkend naar de dikke rookzuilen die opstegen uit het heroverde Orléans en naar de duizenden kleine figuurtjes van mannen, paarden en oorlogstuig aan wie de nalatenschap van Jeanne d'Arc voorbij ging, zag ik in de verte haar vaandel wapperen in de wind. Gewond, maar triomfantelijk keerde ze terug naar haar kamp op de heuvel buiten de stad. Aan het vuil en de regen was bloed toegevoegd, want ze had schrammen op haar gezicht en een kruisboogwond aan haar schouder. Ze verbeet haar pijn, maar de treurnis in haar ogen was er nog en de vastberaden blik leek plaats te hebben gemaakt voor verbittering.

In haar tent ontsmette de chirurg haar wond en liet haar verzorging aan mij over. Het schemerde en in de ruime, maar benauwde tent depte ik haar wond met een natte, warme doek bij het flikkerende licht van een lantaarn. Nu ze uit haar oorlogsuitrusting was zag ik dat haar jongensachtige verschijning meer was dan uiterlijk vertoon. Ze was gekleed in alleen het lange, vuile hemd dat ze onder haar strijdkleding had gedragen en dat haar vormen grotendeels verhulde, maar uit haar houding en de manier waarop ze bewoog sprak een mannelijke zelfverzekerdheid en doelmatigheid. Hoewel ze kleiner dan de mannen was, had ze de brede schouders, een rechte taille en smalle heupen die een jongen van haar leeftijd niet zouden misstaan. Bij het gebrekkige, gelige licht en door haar verwaarloosde haren en huid had ik alsnog kunnen twijfelen als ik haar gezicht niet had gezien, ware het niet dat haar fiere, jonge borsten nu door haar dunne hemd staken, dat ooit glad en wit moest zijn geweest, maar nu verkleurd en vettig was geworden door dagen van regen, zweet en bloed. Zelfs deze twee kenmerken van vrouwelijkheid leken een mannelijke vastberadenheid te willen uitdragen door recht vooruit te steken als twee trotse hengsten die op de linies van de vijandelijke linies af stormden. Aan één kant was haar hemd doorweekt door het water dat gebruikt was om haar wond te verzorgen en plakte de besmeurde stof langs haar stevige borst tot aan de spitse punt, waar een kleine, uitdagende tepel als de punt van een lans tartend vooruit priemde als om belagers af te weren, waarna de stof als een natte tentdoek in een schuine lijn gespannen stond naar haar buik.

Nu ze zo zat kwam het hemd tot halverwege haar rechte, gespierde bovenbenen, die weinig vrouwelijks meer hadden. Als iemand mij verteld had dat zij een jongen was die door één of ander wonder borsten had gekregen en bij zijn geboorte bijzonder vrouwelijke gelaatstrekken had meegekregen dan had ik dat misschien geloofd, want zij leek wel het lijf van een gezonde jongeman te hebben. Het enige wat een dergelijke mythe zou kunnen ontkrachten, het intieme plekje dat haar tot een vrouw maakte had ik nog niet gezien, maar zelfs daarin had zij de schijn al tegen zich gehad toen ik haar die avond de tent in had begeleid en haar schildknapen haar van haar harnas ontdaan hadden. Ze had een ruitersbroek gedragen die waarschijnlijk ooit gemaakt was voor een jonge knaap, want hij zat haar strak om de benen en zelfs het bij kruis, dat ontworpen was voor een man, had ze voor een jonge man kunnen doorgaan. De klamme broek omklemde haar dunne onderbenen en haar iets bredere, maar nog altijd jongensachtige bovenbenen tot helemaal bovenaan. Daartussen tekenden zich de vormen af die men wellicht zou verwachten bij een onvolgroeide jongeman of één die niet al te fors geschapen was. Nauw omsloten tussen haar liezen hing de volle, vooruitstekende ronding die men verwacht bij een man. Even was ik er van overtuigd dat de legendarische Jeanne d'Arc een gefabriceerde heldin was, een wanhopig verzinsel om het Franse volk nog éénmaal achter een leider te scharen. Toen ze richting haar stoel liep was deze plotselinge twijfel echter alweer vervlogen, toen ik zag hoe haar kruis meebewoog op haar weliswaar mannelijke schreden. Wat ik even gehouden had voor een enkele, weinig indrukwekkende ronding, bleek in werkelijk twee los van elkaar bewegende helften, beide indrukwekkend in omvang. Nu bleek ook dat de naad van de strakke broek zich bij iedere stap dieper en ogenschijnlijk onprettiger tussen de twee rondingen nestelde. De mythe van haar mannelijkheid was nu voor mij weerlegd, maar toch leek wel alsof de omvang van haar geslacht het mannelijke imiteerde of zelfs bespotte.

Intussen zat zij in haar hemd en met haar wond verzorgd en verbonden op haar stoel te staren naar de lantaarn en het dampende bad dat er naast stond. Ze leek mijn aanwezigheid vergeten te zijn en afgedwaald te zijn in een droomwereld, die waarschijnlijk bevolkt werd door koningen en ridders, maar misschien ook wel door simpele boeren en door haar familie. Even leek ze, ondanks haar mannelijk voorkomen en haar geharde houding, alsof ze een jong en kwetsbaar meisje was. Alleen, ver van huis en bang voor de toekomst. Het moment vervloog toen ze plotseling een paar keer met haar ogen knipperde en in een vloeiende, krachtige beweging opstond en voor het bad ging staan.

Ik had oliën en handdoeken klaargelegd en had discreet een stap terug genomen, wachtend op het teken waarmee ze me weg zou sturen, maar ze leek mijn aanwezigheid te zijn vergeten en trok het hemd over haar hoofd uit en stapte in de dampende, houten tobbe. Ik zag hoe vuil haar brede schouders, rechte rug, platte billen en stevige benen waren en ik vroeg me af hoeveel dagen het geleden zou zijn dat zij voor het laatst zo in bad had gezeten, terwijl zij met haar rug naar mij toe in het bad ging zitten en zich begon te wassen. Snel en efficiënt waste ze haar hele lichaam met een ruwe borstel en stak ze haar hoofd in het water om haar haren te wassen. Onzeker keek ik toe hoe ze zich omdraaide en terugliep naar haar stoel, waar ze een doek pakte om zich af te drogen. Ze moest weten dat ik hier was, maar ze gaf geen enkel teken dat ik moest vertrekken of dat ik me nuttig moest maken, dus twijfelend bleef ik staan kijken.

Ze stond nu naakt op een meter afstand van me en leek wederom in weemoedige gedachten verzonken, terwijl ze haar haren afdroogde. Ondanks haar jongensachtige kenmerken, leek ze nu, nu ze zo naakt voor me stond met een handdoek te woelen in haar korte haar, voor het eerst echt op een jong, Frans meisje. Hoewel haar ranke lijfje één recht lijn van haar oksels tot haar enkels beschreef, haar bovenarmen en benen gespierd waren als die van een boerenknecht en haar onderste ribben te tellen waren, had haar gewassen lichaam nu eindelijk het zachte en egale voorkomen van een vrouw. Haar onwaarschijnlijk spitse borsten met hun toelopende, roze tepels bleken toch van vlees en bloed gemaakt te zijn toen Jeanne ze ruw afdroogde, waarna ze even heen en weer wiegden om vervolgens weer terug in het gareel te springen. Voor haar smalle taille prijkte toch een rond, zacht buikje, waar ik bijna de strakke buik van een jonge knaap had verwacht. Tussen haar krachtige dijen prijkte haar omvangrijke geslacht dat de wijde ruimte tussen haar liezen vulde en naar voren bolde als een rijpe, gespleten vrucht. Een donkere, glinsterende bos krulletjes kroop van haar venusheuvel tot onder haar dikke, ronde lippen, waar ze druipend bijeenkwamen.

Dit was het voluptueuze, maar ondoordringbare bastion van de Maagd van Orléans.

Met een schok besefte ik dat ze opgehouden was met afdrogen en dat ze me aankeek, dat ze zag hoe ik naar haar kruis stond te staren. Angstig keek ik op en zag ik haar voor het eerst en voor het laatst glimlachen. Toen gleed ze in haar vuile, bebloede hemd en keek me recht in de ogen.

“Allons-y”, fluisterde ze met een knipoog en rende de rumoerige nacht in.

Alle verhalen van: Marius

Fijn verhaal 
+2

Reacties  

Een nieuw perspectief op Jeanne d’Arc. Knap verwoord. Ik denk dat ze maagd is gebleven. Of is dat geschiedvervalsing?
Alsof de schrijver haar persoonlijk kende. Zo gedetailleerd beschreven dat je het gevoel krijgt er zelf bij te zijn. Geniaal!