Stoom (1)

Informatie
Geschreven door Kimbald
Geplaatst op 16 maart 2021
Hoofdcategorie Historisch | Fantasy | Sprookjes
Aantal reacties: 1
3990 woorden | Leestijd 20 minuten

1

De mist mengt zich met de modder in de schaduw. Behoedzaam sluipt het ochtendlicht het moeras in, voorzichtig waar het gaat. Tussen de bomen en wilde struiken zijn er onduidelijke vormen en silhouetten. De meeste passen in het geheel, die ene niet.

Een figuur zit in de modder. Erop eigenlijk, niet erin. Niet diep genoeg weg gezakt. Voorover gebogen, armen hangend op de knieën, hoofd omlaag. Voeten in de modder verdwenen onder een jas of een mantel. Meer een jurk of rok, bij nader inzien.

Als eerste beweging wrijft ze met haar vuile handen haar krullen opzij, maakt een wrong en steekt het haar vast met een speld, een pin, misschien een dolk.

De hoop modder onder haar, waar ze op zit, beweegt ook, maar zwakker.
Ze negeert het.
Heel gelaten en vermoeid reikt ze opzij in de modder en trekt er een korte laars uit. Het is haar laars. Eén voet op de hoop onder haar, raapt ze de kracht bij elkaar om die laars ook aan te doen.
Ze laat het nog even.
Alsof er geen modder aan hangt, trekt ze wel secuur haar rok omhoog van uit het slijk. Het is bijna elegant. Ze ontbloot haar been tot waar de donkere kousenband zichtbaar wordt. Ze maakt het knoopje los, en stroopt dan de lange kous helemaal van haar been. Zonder haast.
Nu pas kan de schoen aan. Met haar hak duwt ze in de kreunende hoop onder haar om weerstand te vinden.

Aan de andere kant trekt ze met veel moeite een dikke wortel dichterbij. Ze gebruikt haar lichaam om opzij te leunen voor het nodige gewicht om de wortel in haar richting te buigen. Wanneer die ver genoeg zit, gaat ze zelf in de weg zitten zodat de wortel niet terug kan slaan. De tak is zo dik dat het vreemd is dat haar slanke lijf genoeg is om dit tegen te houden.
Ze grabbelt met de lange kous in haar hand in de hoop modder onder haar. Ze legt een knoop, in ledematen of anders, en ook rond de dikke wortel zelf.

Met een onverwacht zwierige draai staat ze recht, razendsnel de terugslag van de wortel onder spanning ontwijkend.
De hoop die ze aan de wortel heeft vastgeknoopt sleurt met een rotschok een meter de modder door en smakt hard tegen de de rest van de massieve wortel aan.
Het kreunen houdt het maar een kort ogenblik vol, en dan is het stil.

Nu ze verder wandelt in het eerste licht, kan je haar opengereten bustier zien, haar met modder besmeurde boezem, een gescheurde witte blouse, de rokken vol modder.
Ze doet geen andere moeite dan haar halsketting weer goed hangen, het kleine horloge was op haar rug terecht gekomen. Ze hangt het weer keurig recht, net tot de aanzet van haar borsten, aan de eerste rimpels.

Bij de grote stenen die uit de modder steken, net voor het gras, raapt ze met één hand en zonder te stoppen, een lang blinkend voorwerp op. Haar geweer dat ze vooraf op het droge had gelegd.
Dit gevecht deed ze liever zonder. Uitzonderlijk, want doorgaans deed ze het altijd met.
Het was een compliment, maar zo had hij het niet begrepen, tot zijn grote spijt achteraf.
Met speelse oogjes en duidelijk nagenietend van de wilde nacht, blaast ze een handkusje naar de onbeweeglijke hoop modder vastgebonden aan de wortel. Geweer over de schouder, borst vooruit. Ze likt haar lippen af en proeft modder en bloed. Glimlachend spuwt ze het uit.

Met gelijke tred, een paar meter opzij, stapt een paard in de laatste flarden mist met haar mee. Op het droge stuk, of toch bijna.
Het is tijd om te gaan.


***


In het stadje kondigt de ochtend zoals steeds weer veel bedrijvigheid aan.
Groenten en fruit, vlees of vis, mijnwerkers terug en andere die gaan, kramen worden uitgestald en bars leeg gespoeld. Hier en daar ook een paar kinderen die al veel te wakker zijn, gewekt door ouders die nog zouden moeten slapen.

Het zijn vooral die kinderen die haar aanstaren en naar haar wijzen. Steeds tot iemand hun wijzende arm omlaag slaat of met een hand hun uitpuilende ogen bedekt. En ze weten dat hun vader of moeder, wie het ook is, nu zelf ook aan het staren is.

Op haar paard, voluit, niet zijdelings omwille van haar rokken of iets anders onpraktisch, is ze een ware bezienswaardigheid. Ze zit kaarsrecht en elegant, in groot contrast met haar gehavende toestand.
Haar borsten zijn bijna naakt, haar kleren verfomfaaid en besmeurd. Haar haren opgestoken maar wel alle kanten op. Ze heeft al grijze stukken tussen de zwarte lokken. Haar ravenzwarte dagen zijn voorbij.
Toch wordt haar aanblik bepaald door iets anders dan haar schandelijk voorkomen. Het is dat lange zilveren geweer in haar linkerhand. Een waardevol stuk, sierlijk, imposant, gevaarlijk.
Hoe onbetamelijk ze er ook uitziet, dat ze dat geweer kan gebruiken, en dat ze het ook zal gebruiken, staat boven alle twijfel of verbazing.

De wetsdienaar probeert zich een belangrijke houding te geven, post gevat voor de deur op straat.
Van op haar paard kijkt ze straal voorbij hem. Met de loop van haar geweer richt ze rustig op een ‘gezocht’ poster aan de muur.

‘Hij ligt in het moeras bij de splitsing, ongeveer honderd meter recht naar het oosten als je aan het wegbord vertrekt.’

De man van de wet probeert om te kijken naar de poster, maar zonder zich van haar weg te draaien.
Als antwoord stopt ze haar geweer in de kolf aan haar zadel en trekt eindelijk de veter van haar bustier vooraan weer wat fatsoenlijker. Niet onder de indruk van zijn krachtige stand of houding.

‘Ik weet niet of hij nog leeft of ondertussen gestikt is in de modder, maar blijkbaar maakt dat niet zo veel uit voor de beloning. Ga maar eerst kijken of je hem vindt, en dan kom ik later vandaag wel om het geld. Intussen ga ik me wat opfrissen in het hotel.’

De verbaasde man wist niet wat te denken, en stamelde alleen nog onder welke naam hij de premie moest inschrijven.


***

‘Miranda! Godverdomme!’
Met een smak slaat de deur van de hotelkamer zo hard dicht dat alle andere deuren dreigen open te springen. Binnen rammelt de sleutel en kloppen de schuifsloten in hun hengsels.
Niet echt verbaasd over deze ontvangst doet ze een stap achteruit en schiet oorverdovend luid in die smalle gang, het ganse slot met een knal uit de deur. Met de kolf van haar geweer beukt ze wat overblijft barstend open.
Toch schikt ze even haar gescheurde mouwen en recht ze haar modderige rokken, voor ze binnen stapt.

‘Hoe heb je mij gevonden? Jij onmogelijk kreng!’
In de kamer voor het bed staat een blond mollig meisje met een knap gezichtje, wel lijkbleek van de schrik op dit moment. Hooguit twintig. Deze jonge vrouw overstuur kijkt wanhopig naar de ramen voor een uitweg.
Met een volgend schot vliegt de ganse ruit aan diggelen, zelfs een deel van het houtwerk.
‘Als je wil, kan je langs daar gaan...’ Veel te rustig in zoveel geweld wijst Miranda met haar geweer naar de open geblazen venster.

‘De agenten gaan komen, de commissaris, allemaal.’

Miranda stapt naar het kapotte raam en roept voor gans de straat: ‘Ze is gewapend, ontruim het hotel tot ik naar buiten kom.’
Even bijt ze op haar lip terwijl ze de jonge vrouw van kop tot teen bekijkt. Ze lag duidelijk nog te slapen toen Miranda aanklopte, ze heeft enkel een kanten jurkje aan. Heel doorschijnend.

‘Heb je me gemist?’
‘Ik haat je kreng, echt.’
Opnieuw een schot en de veren en vezels van de matras vliegen in het rond. Ze heeft haar maar net gemist.
‘Miranda... je weet dat ze mij levend willen... geen beloning als je gek gaat doen...’

Het angstig stamelen gaat nog wel door maar eigenlijk luistert Miranda niet.
Met haar geweer even op de salontafel, zet ze haar voet op een stoel en trekt opnieuw haar rokken langs haar been omhoog. De tweede kous die ze nog aanhad wordt nu ook afgestroopt.
Voor ze er erg in heeft houdt Miranda de beide polsen van haar slachtoffer vast. De kous gaat al in een knoop, de knoop al richting houtwerk van het bed. Haar snelheid blijft verbazen, ook na zoveel keren nog.

Omdat haar armen over haar hoofd worden getrokken moet de jonge vrouw zich wel op haar rug op het kapotte bed laten zakken. Niet eens alle veren zijn al neer gedaald.
Terwijl Miranda de laatste knoop vastlegt, fluistert de jonge vrouw in haar oor: ‘En of dat ik je gemist heb.’

Miranda lacht, duivels, uiteraard.
‘We hebben maar even. Uiteindelijk stormen ze hier toch binnen, en straks moet ik hoe dan ook een beloning gaan ophalen. Deze middag vertrekt de trein.’
‘Wiens beloning? De mijne?’
‘Nee, maar hij was bijna even lekker.’
‘Als het zo zit... krijg ik dan ook een beloning?’

 

2

Net buiten het kleine dorpsstation staan twee vrouwen naast elkaar te praten. Voor hen ligt een veld, en daarachter de rivier. De zon is net onder, het water heeft nog de warme oranje gloed aan de oostkant.
Miranda is weer fris en opgetut. Ze draagt een elegante lange paarse mantel met veel franjes. Enkel de middelste knopen zijn dicht, zo valt de mantel bovenaan open. Ruim open, iets te... De bustier die ze eronder draagt is niet genoeg op zich, zeker niet met die diepe inkijk. Wat de bustier dan al verhult, wordt door de vorm net harder opgeduwd waardoor het geheel nog uitdagender wordt.
De vrouw naast haar kijkt even zonder gêne naar haar borsten, en dan weer voor zich naar het water in de verte.

‘Was dat je laatste blouse die je deze ochtend gescheurd hebt?’
Miranda antwoordt niet.
Beide dames laten het nog even rusten.

De tweede vrouw is jonger, maar duidelijk van hetzelfde zwarte haar, zonder het grijze uiteraard. Een veel kortere coupe dat wel, en ook een veel minder diepe inkijk. Haar jas is wel tot boven gesloten. Het is ook een soberder jas, maar daardoor misschien net eleganter.
‘Je hebt het ganse hotel de vernieling in geschoten, hoor ik.’
‘Dat is overdreven. Het was maar die ene kamer...’
‘Jij alleen. Gewapend en wakker, het hotel omsingeld, de kamer in puin. En toch is ze ontsnapt?’

Miranda kijkt gewoon verder naar het water.
‘Een kind van twintig.’
‘Ik zou haar geen kind noemen.’
Daar is die speelse glimlach weer.
‘Ze is mijn leeftijd, mama!’
Miranda draait zich weg van haar dochter: ‘Jij kan even goed tweehonderd zijn. Of op zijn minst tachtig, zoals je over alles zaagt.’

Ze kijken opnieuw naar het water, al ziet Miranda vooral op welke manieren een kind van twintig echt geen kind meer was deze ochtend.
Haar dochter brengt haar terug naar de orde van de dag.
‘Moet ik er eigenlijk nog mee doorgaan?’
Miranda stampt haar voet vol onmacht op de harde aarde. Met ingehouden kracht en snelheid gaat haar hand in de richting van haar dochter’s keel.
‘Liselotte verdomme. Moest je mijn eigen kind niet zijn!’
De uitbarsting maakt opmerkelijk weinig indruk.

‘Ik wil ook gerust elke nacht een ander wicht van twintig meebrengen. Veel minder moeite en blijkbaar veel meer je ding.’
‘Kind, ik ga je echt een pak rammel geven.’
‘Hoe vaak heb je dat nu al niet geprobeerd, al veel succes gehad?’
Miranda kijkt haar dochter aan als een roofdier dat op springen staat. Letterlijk: klaar om te springen.
Liselotte kijkt haar onschuldig kinderlijk aan.
‘Doet je hand nog pijn mama?’
Nog even houden ze de spanning vast en dan barsten ze beide in onbedaarlijk lachen uit.

‘Hoe ver sta je er eigenlijk mee?’ Miranda herpakt zich, er klinkt onrust in haar stem.
‘Heeft hij jou al gezien?’
‘Ik denk het, maar hij gelooft het nog niet.’
‘En zij?’
‘Zij? Natuurlijk niet...’ Liselotte fronst haar wenkbrauwen om de vraag.
‘Ik bedoel naar hem, zij en hem, zij twee.’
‘Hij bindt haar elke nacht aan bed alsof ze een kind van twintig is, en dan doen ze alles waar hij al lang te oud voor is.’

‘Zie je die stok daar? Daar ga ik een punt aan bijten, met mijn blote tanden.’
Vol verontwaardiging staart Liselotte naar de stok en weer naar haar moeder.
‘Dit is erover mama.’ Ze draait, keert terug, kijkt opzij en toch weer naar de stok. ‘Nee echt... verdomme. Nee, echt.’

Miranda geniet mateloos van haar dochters ontreddering.
‘Ik heb je verwittigd kleine snotaap.’
‘Ze verleidt hem elke avond, en hij gaat tekeer in haar als een beest. Je weet hoe hij is.’
Met zwierige passen stapt Miranda naar de stok op de grond.
‘Het is echt zo hoor mama. Elke avond in diezelfde lichtblauwe lingerie, en elke avond kijkt hij naar haar alsof het zijn eerste keer is.
Woordjes in zijn oor, handen in zijn broek, broek op zijn knieën, zij zelf op haar knieën, zij dan op handen en knieën, tuurlijk hij dan op zijn knieën...’
Het is een vreemde knak waarmee Miranda een stuk van de stok afbijt. Niet duidelijk of ze nog luistert.

‘Ben je trouwens zeker dat hij bij jou niets tekort kwam? Hij vind het namelijk nogal leuk bij haar, wel, langs de achterdeur. En zij voelt uiteraard geen greintje pijn.’
‘Die feeks voelt gewoon niets. En hoe kan je weten hoe ze het precies doen? Zit je er soms met je betweterige neus boven op?’

Liselotte strekt haar armen uit als over een tafel, terwijl ze haar billen naar achter duwt: ‘Oooh mijn kontje Constantine! Maar jij mag, doe maar, niet inhouden voor mijn eerste keer. Laat je maar gaan, ik doe alles voor jou.
En dit gedoe elke nacht opnieuw, telkens weer haar verdomde eerste keer.’

Met een onwaarschijnlijke kracht belandt de aangescherpte stok diep in de grond tussen Liselotte’s voeten. Angstaanjagend precies.
‘En zeg me nu hoe het echt gaat. Ze beseft niet eens dat hij een naam heeft, dus goed geprobeerd. Perverse kleine, wie heeft jou in godsnaam opgevoed...?’
‘Sorry, mijn fout, je hebt gelijk, zo doet ze niet. Dat ben ik als ik droom over Constantine.’
‘Ik ga die stok nemen en die halverwege tot je hart boren zodat je niet direct bezwijkt. Daarna ga ik je aan die boom daar binden en kunnen we samen wachten tot de zon opkomt...’
‘Je weet dat ik sneller ben dan jij.’
Liselotte schuift haar jas opzij van haar benen, ze stapt zijdelings, klaar voor een aanval.
‘Jouw vader was ook sneller, maar zie wat er van hem is geworden.’

Liselotte stopt. Het is inderdaad goed geweest. Ze ademt even diep in om haar stemming te verzetten.
‘Weet je mama, nu ik voel wat ik kan, en ik weet absoluut zeker dat hij nog veel sterker was...’
‘Je bent even sterk.’
‘Nee, je weet dat dit niet waar is.’
‘Wat maakt het uit, je bent in elk geval slimmer. En zoveel beter dan hij.’
‘Wat ik wou zeggen is dat ik nog steeds niet begrijp hoe je gewonnen hebt. Het is gewoon niet mogelijk. Het litteken in je nek zegt dat het niet mogelijk is. En toch zit je hier, en zit ik hier. En hij zit wellicht nog ergens in de zon aan een boom.’

‘Kind, wat verwacht je nu dat ik zeg?’
‘Wat er gebeurd is.’
Miranda zwijgt, niet halfslachtig: ze kijkt haar dochter recht in de ogen en zegt geen woord.

Liselotte duwt met haar voet de stok plat op de grond, hij zit zo diep dat hij langzaam breekt.
‘Ik moet gaan mama, anders is het de moeite niet meer.’
‘Breng je hem terug vanavond?’
‘Ik ga mijn best doen.’
‘Voor zonsopgang thuis...’
‘Ik hou ook van je mama.’

3

Zij is de vrouw. Hij de man.
In haar lichtblauwe negligé wuift het kant heen en weer met de wind, als in de golven. Ze heeft lichtblond haar, vlasblond, recht en lang tot net boven haar veel te lekkere kontje.
Hij is geil. Dit is hoe ze bij elkaar zijn.

Hij is de man en leunt tegen de muur.
Vandaag was er een andere vrouw. Of gisteren. De muur voelt klam aan.
Zij is de vrouw. Met enkel een bloemetjes bh en een slipje komt ze hem speels verleiden. Haar billen zijn een beetje te vol, maar dat maakt haar alleen maar zachter. Hij houdt van haar kleine puntige borsten.
Koket schudt ze haar korte bruine krullen. Ze wil spelen, met hem.

Die andere vrouw houdt hem uit zijn slaap, dus zij komt in haar lichtblauwe jarretels hem verleiden als een diva. Haar open bh komt maar tot onder haar volle zware borsten. Haar billen half bedekt door het kanten rokje dat aan de jarretelgordel hangt. Alles lichtblauw, als water. Vochtig ook. Zij, maar ook de lakens.
Vanwaar komt die andere vrouw dan?
Hij is de man, zij de vrouw. Zij zuigt en verwent, haar donker ros haar schudt mee op de beweging van haar hoofd. Ze heeft een hand tussen haar benen, in de andere heeft ze hem.
Wie is die andere vrouw?
Het bed is niet vochtig, niet geil. Het bed is nat.

Hij is de man. Zij is de vrouw die voorover leunt.
Hij wil en hij mag. Graag, en ook daar. Zeker daar, gewoon omdat hij het wil.
Ze is er net, in een lichtblauw kleedje. Hij mag het scheuren. Behalve lange kousen heeft ze niets eronder, alleen haar verlangen en alles wat hij wil.
De andere vrouw staat buiten de kamer en kijkt hem recht in de ogen terwijl hij blijft stoten. De vrouw voor hem slaat haar halflange lichte lokken opzij van haar gezicht. Ze wil het harder, omdat hij dat mag. Hij is de man. Zij de vrouw. Alleen zij. Altijd zij.
De andere vrouw kijkt hem glimlachend aan.
Doet hij het goed bij de vrouw?
Waarom wil hij het goed doen, voor de andere vrouw?
Zijn voeten petsen in het water bij elke twijfelachtige stoot.

‘Lise...?’
De man is in de war.
Wie is die andere... wie is Lise? Maar wie is dan deze vrouw onder hem? Wie schreeuwt er om meer, om daar, om harder, om alleen zij?
En wie kijkt er ginder dan naar hem?
Hij verstijft in de beweging, beweegt niet meer.

Met een lange zucht, half een schreeuw, komt de voorover gebogen vrouw recht. Haar haren zijn wit als schuim, haar lang kleed hangt open en slaat links en rechts mee met haar beweging als golven tegen de rotsen.
‘Hij is de man. Ik ben de vrouw. Ik ben de vrouw.’

Liselotte negeert haar. Haar ogen zijn gericht op de stijve van de man, ze staart vermakelijk zonder de minste schaamte.
De vrouw in het blauw ziet haar niet, ze zoekt haar waar de man kijkt, maar hij kijkt omlaag. Opeens onwennig over zijn naaktheid en zijn erectie. Alles voelt koud en vochtig aan, klam en nat.
Wanhopig vlijdt de vrouw zich in enkel een lichtblauwe bustier tegen hem aan. Haar borsten zijn bloot en drukken tegen zijn schoot. Hij mag daar, tussen haar borsten. Hij mag ook daar, waar haar vingers glijden. Hij mag tussen haar billen, hij mag in haar mond. Hij mag.
De man luistert niet meer.
Voor hij het beseft begint hij te proesten van het water dat hij binnen krijgt.
Met een snelle duik glijdt Liselotte naar hem toe en trekt hem naar de oppervlakte. Met één hand tilt ze hem half uit het water, op een omgevallen boomstam.

Rond haar zwemt de magere vrouw in het blauwe golvenkleed met het schuimende witte haar.
‘Jij bent er niet. Jij bent er wel. De man is er. De man is er niet. Jij moet in het water doodgaan. Jij kreeg geen ademkus. Jij moet in het water doodgaan. Jij bent er nog.’
Liselotte laat zich meegaan op de golven die over en op haar inslaan.
‘Sorry, ik doe niet aan verdrinken.’

Het duurt even voor ze zelf de oever kan bereiken, terwijl de vrouw in het blauw steeds wilder om zich heen slaat.
Ze verzet er zich niet tegen, heel de tijd wordt ze weer eens dieper of verder af geduwd, maar uiteindelijk heeft het weinig effect allemaal.

Aan de oever kijkt Constantine nog naar adem happend naar de twee vrouwen in het water. Hij weet dat hij vooral niet moet proberen helpen nu. Niet bij het water komen, wat er ook gebeurt.

Liselotte staat nog met haar benen in het water, terwijl de laatste wit schuimende uithalen nog verder duren. Het schreeuwen is ondertussen niet meer dan wat hoge tonen in de wind over het water. Ze is het aan het opgeven.
‘Straks zijn we nog bezig tegen de ochtend, en dat kan ik echt niet hebben.’
Speels komt Liselotte de rivier uit, schudt haar haren los en slaat het meeste water van haar lichaam.
Nu pas beseft Constantine dat ze naakt is, dat ze al heel de tijd naakt is geweest.
‘Vorige keer had je kleren aan.’ Hij zegt het met enige ergernis.
‘Ik wou je aandacht trekken.’

Aan een boom gebonden staat een koets voor één, een kleine sulky met paard. Liselotte haalt er haar droge kleren uit en trekt ze aan. Constantine blijft zitten. Er zijn geen kleren voor hem bij.
‘Vorige keer had je ook kleren voor mij mee.’
‘Ik moest me haasten, voor zonsopgang thuis en zo.’
Hij laat het, het maakt weinig uit.

‘Hoe lang was het deze keer?’
‘Een week of twee.’
‘Klote. Miranda moet in alle staten zijn.’
‘Waarom denk je dat ik hier ben? Kinderen van twintig gaan ook vervelen.’
‘Wat?’
‘Niets...’
‘Het is altijd iets bij jou.’
‘Graag gedaan, om je weer eens te komen redden.’

‘Lise.’
‘Wat?’ ze doet zijn norse stem na.
‘Bedankt’.
Ze lacht terwijl ze haar natte haren probeert een vorm te geven.

‘Ik blijf het vreemd vinden dat ze alleen jou kan zien. Of wil zien, misschien is ze gevangen in haar eigen magie. Maar waarom jou? Er zijn er zoveel knapper, en jonger, en groter... wel, misschien niet groter. Wie weet is het dat. Al die magie en verblindende liefde, maar uiteindelijk gewoon een teef die geilt op jouw...’
‘En ik blijf het vreemd vinden dat ze jou niet kan verdrinken.’
‘Pff, je kan beter dan dat. Was dit jouw poging tot sarcasme?’
‘Sorry: ik blijf het jammer vinden...’
‘Da’s al beter, meer jou.’

‘Weet je, mooie meneer met de grote jongeheer, ik denk dat ik haar gedaantes snap ondertussen.’ Ze wijst naar het water dat al rustiger is.
‘Wat valt er te snappen? Ze probeert te verleiden op elke manier.’
‘Nee, ik denk niet dat je er zo makkelijk van af komt.’
Constantine kijkt haar indringend aan met zijn groene ogen.
‘Ze voelt wat jij lekker vindt, ze toont je wat jij wil zien. En van waar ik stond, vind jij best nogal veel lekker...’
‘Je zoekt er te veel achter.’
‘Ik heb nochtans goed gezocht maar ik vond het er niet tussen.’
‘Wat dan?’
‘Een gedaante die leek op mijn moeder.’

Hij staat op. Het is hoog tijd dat ze terug gaan.
Liselotte maakt het paard los en stapt in de sulky.

‘Jammer dat waterjuffer daar niet op vrouwen valt. Mijn moeder zou zo het water induiken, verdrinken of niet.’ Vlijmscherp...
‘Och jaag een ander op stang. Ik weet wel dat Miranda af en toe eens een vrouw erbij wil, maar uiteindelijk valt ze toch op mannen.’

Liselotte kijkt, stil, niet bewegend, vooral niet bewegend.
Het lukt niet en de ene schok na de andere begint ze bulderend te lachen.
Omdat ze zich verder geen raad weet laat ze het paard al maar vertrekken terwijl ze nog steeds niet kan stoppen.
Constantine heeft vuur in zijn ogen.

Een tiental meter verder steekt ze haar arm uit. Het is een bundel kleren. Hij is nog steeds naakt daar aan de oever. Die kleren was ze vergeten. Kan gebeuren.


(wordt vervolgd)

 

Alle verhalen van: Kimbald

Fijn verhaal 
+2

Reacties  

Een intrigerende fantasie, op meerdere manieren zelf in te vullen. Boeiend.