Zilvervos

Informatie
Geschreven door Zilvervos
Geplaatst op 13 november 2020
Hoofdcategorie Fetisj | BDSM | Extreem
Aantal reacties: geen
9000 woorden | Leestijd 45 minuten

EEN

Raf leerde ik kennen op een verjaardagsfeestje. Ik had hem nooit eerder gezien of gesproken, herinnerde me ook niet dat iemand het ooit over hem gehad had. Zestiger, vrije vogel, grijs haar in een paardenstaart, tanig. Filosoof. Levensgenieter. Dierenvriend. Hij vertelde met veel handgebaren, alsof hij de woorden uit de lucht moest halen. Maar zijn vertrouwen in de mens was onwankelbaar, zijn geloof in het vermogen van de mens te veranderen en zich steeds opnieuw aan te passen eindeloos. Ik was geamuseerd en accepteerde zijn uitnodiging om later bij hem thuis eens verder te komen praten. ‘Met meer wijn natuurlijk,’ voegde hij er aan toe.

Ik had me een zelf getimmerd huis in het bos voorgesteld, of een vervallen boerderij aan de rand van een dorp. Maar Raf woonde in een heel keurig rijtjeshuis. In een keurige straat in een keurige wijk en met ongetwijfeld heel keurige buren. Toen hij me binnenliet was er de geur van wierook, wat ik ook verwacht had, maar daarna liep ik een ordelijk, ingetogen ingericht huis binnen. Ik had even het idee dat hij moest lachen om mijn verbazing daarover.

We dronken wijn en praatten. Hij sprak veel, ik weinig. Vrijwel alles wat hij vertelde was een herhaling van wat hij op het feestje al verteld had. Het ergerde me niet. Ik vroeg me af of hij zich ervan bewust was. Of ik het hem moest zeggen. Maar ik liet het zo, luisterde naar wat ik al eerder gehoord had en was net zo geamuseerd als die eerste keer. Zijn stem was prettig diep. Het maakte me rustig.

‘Zilvervos,’ zei hij opeens. Verbaasd keek ik hem aan. Hij glimlachte. Knikte naar me en zei nog eens: ‘Zilvervos.’ ‘Jij,’ zei hij, ‘schuw en sluw.’ Daarna verdween de glimlach van zijn gezicht, misschien omdat ik niet antwoordde. En geen vraag stelde, hoewel ik wilde weten waarom hij het zei, waarom hij me zo noemde, zonder aanleiding. Maar het moment ging voorbij. ‘Kom nog eens terug,’ zei hij later, bij de deur, ‘je zou er vast iets aan hebben.’

Onze volgende ontmoeting was buiten, op een bankje in een stadspark waar mensen wandelden, fietsten, op rolschaatsen slalomden, kinderwagens voortduwden, in het gras lagen, of net als wij op een bankje aan het praten waren. Raf leek door niets en niemand afgeleid. Raf sprak over de wereld, het heelal, het hiernamaals. En het ging over vossen.

Behoedzame vossen die niet gemakkelijk onder de mensen komen, zich schuilhouden, de voorkeur aan het duister geven. Vossen die vertrouwen geleerd kan worden, het gezelschap van de mensen dan niet langer ontlopen en het licht gaan verdragen. Hij vroeg of ik wilde dat hij me erbij zou helpen: de vos onder de mensen brengen, eerst nog veilig en beschermd, eerst nog maar met een paar, niet velen, eerst wennen aan hun nabijheid. Hij noemde me nu alleen nog maar vos. Niet mijn naam, niet het zilver, alleen vos. ‘Ja,’ zei ik. Zonder nadenken had ik zijn voorstel geaccepteerd. Onderweg naar huis kreeg ik daar spijt van. Maar ik voelde een nieuwsgierigheid die sterker was dan die spijt.

De afspraak kwam, met een ingesproken bericht. Datum en tijd, bij hem thuis. Verder niets. Telkens als ik aan de afspraak dacht zette ik het bewust weer uit mijn hoofd. Niet nadenken, het hoofd zo leeg mogelijk houden, de geest vrij. In de woorden van Raf: probeer niet om water in je handen te houden. Maar er was een onrustig gevoel in mijn lijf, iets dat er in rond bleef jagen, zich niet buiten liet zetten.

Niet schuw zijn. Drie woorden die ik steeds herhaalde, als een mantra. Wat er ook gebeurt, hoe het ook zal zijn, niet schuw zijn. Soms dacht ik Raf niet goed genoeg te kennen om hem zoveel vertrouwen te geven. Tegelijk was er steeds weer het verlangen om te weten wat het zou worden, een doos met een deksel dat ik open wilde zien. Hoofd leeg, geest vrij. Geen water vasthouden. Niet schuw zijn.


TWEE

Negen uur. Het begint al te schemeren, snel zal het donker worden. Ik loop de laatste honderden meters naar zijn huis, mijn auto heb ik enkele straten eerder al geparkeerd, juist om het laatste stuk te kunnen lopen. Alles kan nu nog: stilstaan en nadenken, omkeren, terugrijden. Maar ik loop door naar het huis, haal met open mond diep adem, en bel aan. ‘Hallo Raf,’ zeg ik. ‘Hallo,’ zegt Raf, ‘fijn dat je gekomen bent.’ Hij laat me binnen. In de woonkamer zie ik niets bijzonders. Alles is zoals het eerder was, het ruikt naar wierook, de gordijnen zijn nog open, een schemerlamp is al aan. Raf gebaart me te gaan zitten. Een fles wijn staat op tafel, de kurk ligt er naast. Geen schroefdop. Twee glazen. Raf heeft me nooit gevraagd of ik iets anders zou willen, ook nu niet, het komt niet bij hem op.

Hij schenkt beide glazen vol, reikt mij een glas aan en neemt zelf het andere. Zo zitten we even tegenover elkaar. Raf is stil, voor het eerst. De stilte past, vraagt er niet om gevuld te worden. Een stilte die er is omdat iets anders onnodig is. Tien minuten zitten we zo. ‘Loop je mee?’ vraagt Raf dan terwijl hij opstaat en zijn glas op tafel zet, ‘er wordt op ons gewacht.’

Verbaast het me? Misschien. Ik weet het niet zeker, omdat alles vanaf nu nieuw gaat zijn, anders en onbekend. Mantra: niet schuw worden. Opstaan, glas naast het zijne zetten en gaan zien wat er is. Ik voel mijn hart dat bloed rondpompt, veel te snel en veel te hard, ik voel dat ik bloedvaten heb. Maar het is geen paniek, alleen het lijf dat zich spant, klaar om weg te schieten als het nodig is, alert als dat van een dier. Raf opent de woonkamerdeur. Stapt de gang in en maakt een wenkend gebaar. ‘Het is boven,’ zegt hij, ‘twee trappen op.’ Ik volg hem, twee trappen op.

Er staat een wasmand op de gang, halverwege. Tempranillo, de wijn beneden op tafel. 17, het huisnummer. Rood, zijn overhemd. Blauw, het mijne. Bij elke traptrede en elke stap vertel ik mezelf iets anders dat niet belangrijk is. En dan ineens, heel even, het idee dat elke trap een struik is waar ik aan voorbij ga. Tot er straks niets meer is om achter te schuilen, alleen nog een vlakte, geen vossenterrein, niets om aan de jacht te ontkomen.

Als we helemaal boven zijn legt Raf zijn hand op de deurklink. Een aluminium deurklink, een grijze deur. Hierachter zou je een opslagruimte vermoeden. Metalen kasten vol spullen die al lang weggegooid hadden moeten worden. Spullen die zullen blijven liggen tot Raf verhuist, dan gooit hij ze alsnog weg, allemaal, op een koele ochtend in de lente. En de nieuwe bewoners zetten er weer nieuwe kasten in en vullen die in de loop van de tijd met nutteloze spullen die ze bewaren tot ook zij weer gaan verhuizen. Zo'n ruimte verwacht je achter de grijze deur en de aluminium deurklink die Raf omlaag duwt terwijl hij zegt: ‘Probeer alleen te luisteren, zo weinig mogelijk te zeggen, concentreer je, dan gebeurt alles vanzelf.’

De kamer die ik achter Raf aan binnen stap is duister. Mijn ogen hebben even tijd nodig om te wennen en alles goed te kunnen zien. Links drie kleine tafeltjes, met aan elk tafeltje twee stoelen. Houten stoelen, eetkamerstoelen, niet comfortabel. Op twee van de tafeltjes brandt een kaars. Verder naar links, bijna aan de zijmuur, staan twee mensen. Ik kan hun gezichten niet goed zien, hoewel ze nu onze kant op kijken. Een man, een vrouw, wijnglazen in de hand, alsof ze op een receptie zijn. Ze lijken in gesprek geweest te zijn maar zijn nu stil.

Aan de muur recht tegenover ons zie ik een gesloten gordijn, voor een raam dat anders misschien uitzicht op de woning van de overburen zou bieden. In het schaarse licht van de twee kleine lampjes aan de muur, aan weerszijden van het raam, en de kaarsen op de tafeltjes lijkt het dat de muren rood geschilderd zijn, en dat er donkerbruine houten vloerdelen liggen.
Rechts in de kamer is een verhoging, als een klein podium. Daarop een lage, stevige houten tafel, in de lengte achter op het podium geplaatst. Een stoel zoals de andere stoelen. Een staande lamp, die niet brandt. Aan de muur achter het podium hangt een strak gespannen wit doek.

‘Dit is de vos,’ zegt Raf. Hij legt een hand in mijn rug en laat me met een lichte duw een stap naar voren doen. De man en de vrouw doen een paar passen onze kant uit. ‘Dag vos,’ zegt de man. De vrouw maakt een geluid dat instemmend klinkt. Ze hebben me begroet. Ik open mijn mond maar denk dan aan wat Raf me voor we de kamer binnen gingen zei. En dus sluit ik mijn mond weer zonder iets te hebben gezegd, zonder de begroetingen te beantwoorden. Ik ben hier niet om beleefd te zijn.
De twee gaan zitten, aan de middelste tafel, waarop geen kaars brandt. Toch zie ik nu hun gezichten beter, in de gloed van de kaarsen op de andere tafels. Zestigers, misschien zelfs ouder. Mogelijk Rafs leeftijd. Ik zal je aan mijn gasten voorstellen, zegt Raf tegen mij. Hij wacht tot ze hun glazen op tafel gezet hebben en gebaart dan met een open hand naar het stel. Tinor en Erane, zegt hij. Hun gezichten zijn vriendelijk, ze glimlachen bij het kaarslicht. Aantrekkelijke mensen, hun haar grijs, hun gezichten mooi door de tijd getekend, slank, levendige ogen. Hij draagt een spijkerbroek en een rood poloshirt, roder dan de muren. Zij draagt een spijkerbroek en een witte blouse. Ze heeft haar bril voor zich op tafel gelegd.

‘Ik heb hen gevraagd hier te komen omdat ik hen erbij nodig had,’ zegt Raf tegen mij, ‘maar dat was je al duidelijk neem ik aan.’ Hij wacht. Ik knik, heel licht. Meer beweging zou bijna spreken zijn. Raf gaat door: ‘Maar ze zijn hier ook omdat ze dat zelf graag wilden, ze hebben hun eigen, bijzondere belangstelling, dat zal je snel duidelijk worden.’ ‘Maar,’ zegt hij, ‘let nu op wat we je zullen vragen.’

Raf stapt de verhoging aan de rechterkant van de kamer op, het kleine podium waar de twee gasten van achter hun tafels op uitzien. Hij knipt de schakelaar van de lamp die op het podium staat aan, en meteen is er licht, veel licht, fel en wit, maar alleen op het podium zelf, een ovaal van licht op de vloer van het podium, de tafel die er staat en de stoel ernaast. Hij wenkt me: ‘Mag ik je uitnodigen, vos?’ Ik zie links de blikken van Tinor en Erane, hun ogen op mij gericht, vriendelijke ogen, maar onbekende ogen, ogen waarvan ik niet weet wat ze willen zien en wat ze zullen onderzoeken.

‘Nu,’ zegt Raf, ‘maken we kennis met elkaar.’ Hij duwt me zachtjes meer naar het midden van het podium, midden in de lichtbundel, stapt zelf iets opzij. In het volle licht krom ik mijn schouders, probeer me klein te maken, onbewust is het al gebeurd. Ze hebben het allebei direct gezien, Tinor en Erane, ik merk het aan hen, ze hebben zich goed voorbereid weet ik nu. Ik recht snel weer mijn rug, maar wat voorzien werd is gebeurd.

‘Het is zijn natuur,’ zegt Raf tegen de twee aan tafel, ‘maar hij is hier en hij toont zich aan ons.’ Het lijkt alsof er bij Tinor een lachje is, een mondhoek-lachje, klein en kort. Maar er is weinig licht daar waar hij zit, ik weet het niet zeker. Erane zet haar bril op.

Hij keert zich naar mij toe. ‘Vos,’ zegt Raf, ‘we zouden nu graag zien dat je op blote voeten bent, zou je daar voor willen zorgen?’ Het klinkt kalm en vriendelijk, maar niet als een vraag, wel als iets dat gedaan moet worden. En ik buig me voorover om mijn veters los te maken. Stap uit mijn schoenen, trek mijn sokken uit, doe de sokken in mijn schoenen, houd alles in mijn rechterhand, kijk Raf vragend aan. Hij pakt de schoenen van me aan, zet ze onder de tafel. Ik ga weer rechtop staan, gezicht naar de gasten, op blote voeten nu. We zijn nog minder gelijk dan we al waren. Ik probeer stil te blijven staan, de onrust binnen te houden, voeten bij elkaar, schouders naar achteren, neutraal gezicht, ogen gericht op een plek achter de tafels.

Dan stapt Raf van het podium af, loopt naar de tafel rechts van de tafel waaraan Tinor en Erane zitten. Blaast daar de kaars uit en neemt plaats op de stoel het dichtst bij Erane. ‘Wat vinden jullie,’ vraagt hij hen, ‘is het zo goed?’ De twee kijken elkaar aan, het is Erane die zegt: ‘Voor nu is het goed, hij moet wennen, laten we hem de tijd geven.’ Raf knikt, lijkt in te stemmen. Maar dan zegt Tinor: ‘Het moet meer rechtop, trotser, fierder zouden de Vlamingen zeggen.’

Ik doe mijn schouders nog iets verder naar achteren, mijn borst nog iets verder vooruit. ‘Beter,’ zegt Tinor. Hij lijkt tevreden over mijn reactie, de snelheid waarmee ik op zijn verzoek gereageerd heb. Drie mensen kijken naar me, ik sta in hel en fel licht, kaarsrecht, onnatuurlijk rechtop.

‘Loop eens,’ vraagt Raf, ‘een klein stukje en dan weer terug.’ Ik aarzel. Omdat het een instructie is. Maar ook omdat ik moet bedenken hoe ik het zal doen. Ik draai me een kwart slag zodat ik zijdelings voor hen sta. En loop dan een drietal passen naar voren, voor de tafel op het podium langs. Draai aan het eind van het podium, loop terug en keer me weer naar hen toe. ‘Hoe voelt dat?’ vraagt Erane. Ze is dichter aan haar tafel geschoven, leunt ook iets voorover. Ik wil antwoorden, bedenk me, kijk Raf aan. Die knikt. Ik begrijp het, vragen kunnen worden beantwoord. Kort, dan breekt niets. Ik kijk naar waar zij zit en zeg: ‘Het voelt vreemd.’ ‘Ja,’ zegt ze, ‘dat kan ik begrijpen.’ Ze heeft een prettige stem. Niet zacht, maar warm, zorgvuldig haar woorden uitsprekend, zonder dat het overdreven is, een plezierige voorleesstem.


DRIE

Heb ik te lang naar haar gekeken? Ik vraag het me af als ik Tinor hoor en weer naar hem kijk. Misschien verbeeld ik het me, maar er klinkt ergernis in zijn stem. ‘Dat was makkelijk,’ zegt hij, ‘doe niet alsof het een moeilijke opdracht was.’ ‘Het was niet moeilijk,’ zeg ik, ‘alleen maar ongewoon.’ Hij kijkt me aan alsof ik hem uitdaag. Erane lacht. Raf lacht. Geluidloos. ‘Kan ik hem iets laten doen?’ vraagt Tinor. Hij vraagt het aan Raf. ‘Natuurlijk,’ zegt Raf, ‘zeg wat je wilt, daarvoor ben je gekomen.’ Ik kijk Tinor strak aan, verontrust. ‘Kniel,’ zegt Tinor. Tegen mij. Hij heeft zijn beide handen voor zich op tafel gelegd. Ik kijk naar Raf, die onbewogen terugkijkt. Ik kijk naar Erane, ze kijkt naar mij. Ze kijken alle drie naar mij.

Langzaam ga ik op mijn knieën zitten, armen langs mijn lichaam. Ik voel het harde hout van het podium. Het is stil, doodstil. Tinor staat op. Loopt naar me toe en blijft vlak voor me staan. Heel even voel ik verzet in me opkomen, wil ik opstaan. Vraag me af waarom ik dit doe. Voor Raf, mezelf, misschien voor haar? Niet voor hem. Maar het moet, ook voor hem moet ik het doen. Hij legt zijn hand onder mijn kin, heel zachte druk duwt mijn kin iets omhoog. ‘Niet bang zijn,’ zegt hij, ‘geef er maar aan toe, dan gaat het vanzelf.’ En hij maakt de bovenste knoopjes van mijn overhemd los. Heel rustig, heel beheerst, zonder haast. Een voor een, alle knoopjes, tot ze allemaal los zijn. Over zijn schouder kijkt hij naar Erane. ‘Ben je tevreden?’ vraagt hij haar. Ze glimlacht. ‘Zelden,’ zegt ze.

Erane en ik kijken elkaar aan. Haar blik is niet de blik van begeerte, de blik van vrouw naar man. Niet de blik die me over schroom heen helpt en beantwoord wil worden. Het is de blik waarmee je kijkt naar iets waarvan je je afvraagt of het is wat je zoekt. Een blik naar iets, meer dan naar iemand. Dan hoor ik Raf, alsof hij iets zegt vanuit de coulissen: ‘Laten we maar eens zien of alles bij elkaar past.’

Raf knikt naar Tinor, Tinor knikt naar Raf. En Tinor stapt het podium op, gaat achter me staan. Raf staat ook op. Hij gaat bij Erane aan tafel zitten, op de stoel die Tinor verlaten heeft. ‘Doe wat goed is voor mijn gasten, vos,’ zegt hij. ‘Toe maar,’ zegt Erane. Achter me neemt Tinor mijn overhemd tussen zijn vingers. Zijn handen zijn groot en sterk. Maar hij wacht tot ik hem help, meewerk om het overhemd uit te krijgen, mijn armen naar achter laat gaan, uit de mouwen. ‘Dank je,’ zegt hij. Ik heb mijn ogen gesloten. Het voelt alsof Tinor en ik samen zijn, samen iets doen, het maakt het gemakkelijker en moeilijker tegelijk. Ik hoor Erane. ‘Waarom sluit je je ogen?’ vraagt ze, ‘zo kan ik niets zien.’ Ik open mijn ogen weer.

Tinor helpt me overeind. Als ik rechtop sta zet hij zijn handen van achter op mijn heupen. Ik vermijd naar zijn handen te kijken. Ik zie ook Erane en Raf niet aan hun tafel. Ik zie alleen de ruimte achter hen, duister, uit het licht, ik zie er geen raam, geen deur, geen muur. Tinors handen nemen de onderrand van mijn shirt. Een diepzwart T-shirt, effen en strak om mijn bovenlijf. Ik voel zijn nagels, glad en hard, kort, als kleine, gevijlde klauwen. Zijn vingers schuiven het shirt omhoog, laten mijn buik bloot en wachten dan. Even. De ene hand blijft het shirt omhoog houden, de andere hand glijdt van opzij op mijn buik. De vingers geheel gespreid. Middelste vinger op mijn navel. Ik kijk nu, zie zijn vingers op mijn huid, niets heeft er ooit vreemder uit gezien, alsof ze half van hem en half van mij zijn.

Zo staan we er, Tinor en ik. Op een verlicht podium, een stilstaand beeld voor de twee aan tafel. Tot Tinors hand heel langzaam, loom zelfs, over mijn buik begint te bewegen. Ik zucht, opeens is het er, een zucht die niemand ontgaat. Net zo min als mijn stokkende adem, mijn buik die ik met een schok intrek en dan weer naar zijn hand toe beweeg. ‘Je riem,’ fluistert Tinor. En als ik niets doe: ‘Je riem, maak hem los.’ En dan doe ik wat hij vraagt. Met zijn ene hand nog aan mijn shirt en zijn andere hand vlak op mijn buik maak ik zelf de riem van mijn broek los.

Als mijn riem los is haalt Tinor het knoopje uit het knoopsgat, trekt in een snelle beweging de rits open en schuift mijn broek omlaag. Ik weet wat nodig is, heb geen woorden nodig, doe niets zelf maar help hem door mee te bewegen. Stap er uit, ongevraagd. Tinor pakt de broek, legt hem onder de tafel, bij de schoenen, de sokken, het overhemd. Alles bij elkaar, alles waar het hoort. En hij trekt mijn shirt omhoog, helemaal, ik strek mijn armen. Ik sta alleen nog in mijn zwarte slip. Tinor vlak achter me, zijn handen los van mij. Onwillekeurig heb ik mijn ogen weer gesloten. Voel verdriet en opwinding, afkeer en nieuwsgierigheid, in wilde golven door me heen.


VIER

Tinor is de eerste die weer wat zegt. Het is een vraag aan Erane. ‘Goed?’ vraagt hij. Alleen maar dat woord, vragend. Ik weet dat hij het niet aan mij vraagt, en niet aan Raf. Hij vraagt het Erane. Ze neemt een slok van haar wijn. ‘Voor wie, Tinor?’ vraagt ze dan, ‘voor wie moet het goed zijn?’ Achter me is het stil. Aan tafel kijkt Raf haar even aan. Voor het eerst hapert het, valt er een stilte die er niet hoort te zijn. Voor het eerst is er een antwoord dat onverwacht lijkt. ‘Is hij goed?’ vraagt Tinor dan. Hij geeft geen antwoord op haar vraag. Ze lacht snuivend, zonder vreugde, meer alsof ze de vraag belachelijk vindt. ‘Hij is goed genoeg,’ zegt ze, ‘we hebben nu niets anders.’ Ze kijkt me in mijn ogen terwijl ze dat zegt. Kijkt wat het met me doet. Naast haar begint Raf te lachen. Raf lacht zoals hij vaak praat, te lang, met eindes die weer een begin vinden. Maar als hij ziet dat Erane naar hem kijkt en wacht stopt zijn lach abrupt.

Van achter me houdt Tinor een blinddoek voor mijn gezicht. Zwart en smal. Even beweegt hij ermee voor mijn ogen heen en weer. Hij legt de blinddoek met twee handen tegen mijn gezicht, over mijn ogen, en maakt hem achter mijn hoofd in een knoop vast. Hij voelt of de blinddoek mijn ogen bedekt, strak genoeg zit, niet weg kan glijden. ‘Zie je nog iets?’ vraagt hij. Ik zie niets, schud mijn hoofd. Tinor pakt mijn armen en brengt ze omhoog, vouwt mijn handen op elkaar achter mijn hoofd. ‘Zo is het goed,’ zegt hij. Zijn stem klinkt zacht, alsof alleen ik het hoef te horen. Het is stil.

Dan hoor ik stoelen die schuiven. Hakken op hout. Een gefluister dat ik niet verstaan kan. Weer stilte. De stem van Raf, plotseling vlak naast me. ‘We zijn bij je, zegt Raf, ‘allemaal vlak bij elkaar.’ Ik draai mijn gezicht werktuigelijk zijn kant op. Maar vanaf waar ik dacht dat hij stond hoor ik nu Erane. ‘Wees gerust,’ zegt ze, ‘we gaan nu verder kennis maken, dat is wat we allemaal willen, nietwaar?’ Ik hoor haar hakken, een paar passen, weet niet waar ze heen gaan, ik hoor iemand kuchen, weet niet wie. En dan zijn er handen. Een paar of ontelbaar veel. Handen aan mijn lichaam, zacht en teder, vingertoppen, vingers, handpalmen, voorzichtig glijdend, cirkelend, of alleen maar stil tegen mijn huid. Niemand zegt iets. Borst, buik, heupen, billen, dijen. Een vingertop heel even in mijn navel. Een rug van een hand zacht over mijn buik. Ik beweeg. Meer dan hen lief is, denk ik, maar het is onmogelijk stil te blijven staan bij zoveel aanraking.

Als het stopt merk ik pas dat ik zo onrustig adem dat het op hijgen lijkt. Ongevraagd laat ik mijn armen langs mijn lichaam zakken. Niemand zegt iets. Ik doe mijn armen weer omhoog en vouw mijn handen weer achter mijn hoofd. Het blijft stil.


VIJF

Er klinkt muziek. Klassiek, piano. Mijn blinddoek wordt afgedaan, ik zie dat het Tinor is, vlak voor me, vlak voor het podium. Erane en Raf zitten op de stoelen waarop ze zaten voordat de blinddoek om ging. De muziek lijkt uit luidsprekers aan het plafond te komen. Tinor glimlacht even naar me. Dan loopt hij naar de anderen en schuift een stoel bij hun tafel. Raf knikt naar me. En zegt tegen Erane en Tinor: ‘Ik heb iets lekkers voor jullie gemaakt, ik heb er mijn best op gedaan.’ Hij klapt in zijn handen, tweemaal, kort achtereen.

De deur waardoor ik ben binnen gekomen gaat open. Een vrouw kijkt voorzichtig om de hoek. Ik zie geen verbazing op haar gezicht, ook niet als ze mij ziet, ze wil alleen weten of ze het goed gehoord heeft en of ze binnen kan komen. Het is goed, ziet ze aan Raf. Uit de gang rijdt ze een kleine kar de kamer binnen. Er staan drie borden op, elk afgedekt met een metalen deksel. Als ze langs me loopt, de kar voor zich uit duwend, kijkt ze me aan. Ze is erg mager, heeft een bleek gezicht, lijkt nog een meisje. Maar ik zie rimpels die verraden dat ze dat niet meer is. Ze draagt een zwarte jurk tot net boven haar knieën, daarop een klein wit schortje, zwarte pumps eronder. Ze zet de borden op de tafel, legt bestek gewikkeld in servetten neer en neemt de deksels van de borden af. ‘Dank je wel, Nanda,’ zegt Raf. Met haar kar gaat ze terug naar de deur, kijkt me onderweg terug opnieuw aan, doet stil de deur achter zich dicht.

‘Risotto,’ zegt Raf,’ met knolselderij en paddenstoelen.’ ‘En de vos?’ vraagt Erane. Raf kijkt naar me. ‘Straks,’ zegt hij, ‘later.’ Erane draai zich half naar Tinor toe. ‘Geen vlees,’ zegt ze. Ze lijkt geamuseerd. ‘Natuurlijk niet,’ zegt Tinor. Raf zet een fles wijn op tafel, schenkt alle glazen bij. ‘Bon appetit,’ zegt hij, overdreven articulerend. ‘Dank je wel,’ zegt Erane, ‘het ziet er prachtig uit.’ ‘Je hebt je best gedaan,’ zegt Tinor. Ze beginnen te eten. Ik herken eindelijk de muziek: Ravel.

Terwijl ze eten sta ik op het podium, mijn handen achter mijn hoofd. Ik voel hoe mijn vingers gaan tintelen, het bloed er uit wegvloeit. Nu en dan kijken de eters naar me, kort, voordat ze zich weer op hun borden concentreren. Als ze klaar zijn staat Raf op. Glas in zijn hand. ‘Een toost op mijn gasten,’ zegt hij, ‘ik ben blij dat jullie er zijn.’ Erane en Tinor heffen hun glazen. ‘Op onze gastheer,’ zegt Tinor. De glazen raken elkaar, het lichte twinkelende geluid van glas tegen glas. ‘Raf,’ zegt Erane, ‘Tinor en ik hebben een kleine verrassing voor je meegebracht.’ Ze knikt naar Tinor, die naar achter loopt en met een klein, wit papieren tasje terugkomt. ‘Het is een kleinigheid,’ zegt hij terwijl hij het aan Raf geeft, ‘niets bijzonders, gewoon een blijk van onze waardering, voor alles dat je voor ons doet.’ Raf pakt het tasje aan, kijkt er in. Hij lacht. ‘Zal ik het uitpakken?’ vraagt hij. En als hij geen antwoord krijgt: ‘Ik wacht er nog even mee.’

Dan komt Raf naar mij toe. ‘Het was niet zo aardig je te laten wachten, vos,’ zegt hij, ‘daar ben ik me van bewust, nu is het tijd voor jou om rustig iets te eten en even te ontspannen.’ Hij loopt naar de deur, opent die en laat de vrouw die hij Nanda noemde binnen. ‘Breng de vos maar naar zijn kamer, als je wilt,’ zegt hij tegen haar. Nanda knikt. ‘Kom,’ zegt ze tegen mij. Nog altijd is er geen verbazing op haar gezicht. Ik loop achter haar aan de kamer uit zonder nog naar Raf, Tinor en Erane te kijken.


ZES

Nanda wijst me een open deur in de gang, tegenover de kamer waar we uit kwamen. ‘Je kamer,’ zegt ze. Ik loop er binnen, langs haar heen, me opeens nog meer bewust van mijn bijna naakt zijn dan toen ik op het podium stond. ‘Het geeft niet,’ zegt ze, ‘ik ben het gewend.’ In de kamer staat een lage tafel met daarop een bord. Risotto, knolselderij en paddenstoelen. En bestek in een servet gewikkeld. Een glas wijn. Nanda doet de deur half dicht. Doet dan weer een stap naar binnen. ‘Pas op voor hen,’ zegt ze. Ik open mijn mond om iets te zeggen. Nanda houdt een vinger voor haar mond. ‘Ik ben over een half uur terug,’ zegt ze. En ze stapt naar buiten, sluit de deur achter zich, ik hoor haar voetstappen door de gang verdwijnen.

Pas als ze weg is kijk ik goed om me heen. De kamer is klein, het plafond laag. De tafel staat in het midden, langs een van de wanden staat een kast en een stoel. Ik open een deur achter in de kamer, zie een tweede ruimte, net zo klein, met een laag bed. Matras, kussen en dekbed. Niets anders. Een volgende deur, een bad, douche, toilet. Ik loop de kamer weer in, open de deur waardoor we binnen zijn gekomen. De gang is duister, onverlicht. Ik haal het bestek uit het servet en begin te eten. Neem een slok wijn. Ik zou weg kunnen gaan. Mijn kleding halen en weg gaan. Nanda's waarschuwing heeft me uit een roes gehaald. Zij is de wereld buiten, de echte wereld. Maar ik eet mijn bord leeg en drink mijn wijn op.


ZEVEN

‘Fijn dat je er nog bent,’ zegt Raf. Hij is het die binnenkomt, niet Nanda, als het half uur voorbij is. ‘Kom,’ zegt hij vriendelijk wenkend. Ik loop met hem mee terug, mijn kamer uit, het stukje gang door, terug naar waar we waren. Het is er nog donkerder dan het al was. De schaarse verlichting is uit, ook de lamp op het podium is uit, er branden alleen nog twee kaarsen op het podium, de kaarsen die op de tafeltjes stonden staan nu vooraan op het podium. De borden zijn weggeruimd, alleen de glazen, gevuld, staan op de tafeltjes. Het witte papieren tasje dat Raf van hen gekregen heeft staat op het middelste tafeltje.
Tinor staat bij de lage tafel op het podium. Erane zit op de stoel ernaast. Haar handen heeft ze in haar schoot gevouwen, haar voeten in vuurrode hoge hakken heeft ze op de grond tegen elkaar gezet, haar gezicht is verborgen onder een wit masker met een lange, puntige snavel. Achter de twee ronde gaten in het masker kan ik met moeite haar ogen zien, onder de snavel zie ik haar mond en kin, meer niet. Raf helpt mij het podium op, blijft er zelf voor staan. ‘Dank je,’ zegt Tinor. En hij trekt een gladde zwarte kap over zijn hoofd, een kap die zijn gehele gezicht bedekt en alleen de ogen en de mond vrij laat.

‘Ga op de tafel liggen,’ zegt Raf achter mij, ‘op je buik, languit, armen voor je.’ Werktuigelijk loop ik langs Erane, zonder naar haar te kijken, mijn ogen gericht op de tafel. Ik ga er op liggen zoals Raf zei, strek mijn armen, draai mijn hoofd opzij zodat ik Tinor kan zien. Aan zijn riem hangt een korte gesel, een houten handvat met daaraan vastgemaakt vijf gevlochten koorden, van ruw leer. Hij buigt zich over me heen, schuift langzaam mijn slip omlaag, tot halverwege mijn dijbenen. Ik zie hoe hij de gesel van zijn riem losmaakt. Een haakje dat losgemaakt wordt van een ring aan de riem. Het gebeurt met een enkele, rustige beweging van zijn linkerhand. Even houdt hij het handvat in die hand, dan neemt hij de gesel in zijn andere hand, zijn rechter.

‘Doe het,’ hoor ik Erane zeggen, onzichtbaar op de stoel naast me. Ik kijk naar Tinor, zie zijn ogen en mond door zijn kap, maar kan er geen uitdrukking in zien. Hij doet een halve stap achteruit. Lijkt even over mij heen naar Erane te kijken. En dan slaat hij me, zijn arm gaat zover mogelijk naar achteren en omhoog, komt dan in een enkele snelle beweging omlaag, de leren koorden slaan tegen mijn billen, er is eerst het geluid, dan pas de vlijmende pijn. Mijn handen omklemmen de tafelpoten onder me, ik houd mijn adem in, wil niet bewegen en wil geen geluid maken. Ook niet als Tinor doorgaat, ruw, hard en snel, op mijn billen, achterkant dijbenen, onderrug. Ik wil zijn tempo volgen, niet aan de pijn denken, een snijdende en brandende pijn. En ik hoor mezelf zachtjes geluid gaan maken, niet tegen te houden, korte steunende geluiden, na elke keer dat de koorden tegen mijn huid slaan.

Ik draai mijn hoofd de andere kant op, zie daar Erane op haar stoel, de rug recht, de schoenen tegen elkaar. De snavel beweegt een paar maal heel licht op en neer, meer beweging is er niet terwijl Tinor zijn werk voor haar doet. Ze kijkt er naar. Haar handen liggen nog steeds in haar schoot gevouwen. Ik wil smeken om te stoppen, voor even, heel even. Maar ik sluit mijn ogen, dwing me mijn lichaam tegen de tafel te drukken en niet omhoog te komen, sta mezelf alleen het zachte steunen toe.


ACHT

‘Blijf liggen totdat Nanda je komt halen,’ zegt Raf. Ik zie Erane van haar stoel opstaan en het podium afstappen, ze loopt langzaam langs de tafels en stoelen en verdwijnt in de duisternis van de kamer. De mannen volgen haar op een paar meter afstand. Ik ben alleen, hoor hoe stil het is, beweeg me niet.
Dan gaat de deur weer open en ik zie Nanda binnen komen. In haar zwarte jurk en pumps, maar nu zonder het witte schortje. Ze komt naar me toe. Blijft aan de rand van het podium staan. ‘Ik ga je weer naar hen toe brengen,’ zegt ze. Ze maakt een gebaar met haar hand dat aangeeft dat ik op moet staan. Ik doe het, langzaam, sta dan naast de tafel, mijn slip nog half omlaag, mijn rug naar Nanda toe.

‘Doe je slip uit en draai je om,’ zegt ze. Haar stem klinkt zacht, bijna verontschuldigend. Als ik aarzel zegt ze: ‘Het is voor hen, niet voor mij.’ Ik doe wat ze gevraagd heeft. Als ik naakt voor haar sta, ik op het podium, zij ervoor, zie ik haar gezicht goed: mager, bleek, en met een blik die bezorgd en ook vermoeid lijkt. Ze wenkt me. Maar zegt dan: ‘Als je weg wilt kan het nog, nu nog wel, straks niet meer.’ Ik haal diep adem, stap het podium af. Ze zucht. ‘Ik heb je gewaarschuwd,’ zegt ze, ‘meer kan ik niet doen.’

‘Volg me,’ zegt ze. En we lopen door de kamer, langs de drie tafeltjes en de stoelen, de bijna duistere kamer met de rode wanden, naar de achterzijde waar zojuist Erane en de twee mannen verdwenen zijn. Ze schuift een donker gordijn iets opzij. Ik zie er niets achter. ‘Nu kun je niet meer terug,’ fluistert Nanda. Ze schuift het gordijn verder open en wacht op me. Ik loop een halve pas achter haar aan, de kamer uit, een nieuwe duisternis in. Ik zie alleen de contouren van een trap die omhoog gaat. Nanda zet een voet op de eerste trede. ‘Kom,’ zegt ze opnieuw fluisterend.

De trap heeft tien treden, in een kleine bocht omhoog. Ik tel de treden als ik haar volgend omhoog ga. Boven aangekomen laat ze me passeren en als eerste de volgende ruimte binnen stappen. In schaars flakkerend licht van kaarsen in kandelaars aan de houten wanden zie ik achterin een gesloten, rood gordijn. Links staat een lage tafel tegen de wand. Op de tafel staat een papieren tasje. Het witte papieren tasje dat Tinor en Erane aan Raf hebben gegeven, waar hij in heeft gekeken, maar waar hij zijn cadeau niet uit gehaald heeft. Meer is er niet.

Nanda leidt me naar het midden van de ruimte. Ze blijft even naast me staan, dicht tegen me aan. Ze kust me heel zacht, vluchtig, op mijn wang. Dan loopt ze naar de tafel en het tasje, haalt er een halsband uit. Zwart leer, een metalen ring die hem dicht houdt. Zonder iets te zeggen komt ze er mee naar me toe, opent de ring, doet de halsband voorzichtig om mijn nek en sluit hem weer met de ring. Ze loopt terug naar de tafel. Uit het tasje haalt ze een ketting. Metalen schakels, een ring met sluiting aan het ene eind, een leren lus aan het andere eind. Ze maakt de sluiting vast aan de ring aan de halsband om mijn nek. De lus houdt ze in haar hand. De ketting, anderhalve meter lang, hangt tussen ons in en op de grond.

‘Nu moeten we wachten,’ zegt ze, ‘tot ze klaar zijn.’ En we wachten. Stil en met onze ogen op het gordijn gericht. Minutenlang gebeurt er niets. Dan wordt er achter het gordijn licht aan gedaan. Het schijnt er rood doorheen.


NEGEN

‘Ga op je knieën en handen zitten,’ zegt Nanda. En terwijl ik dat doe pakt ze de ketting halverwege vast, tilt hem van de vloer, genoeg ruimte latend zodat hij niet strak komt te staan. Ze wacht tot ik klaar ben. Naakt en op mijn knieën en handen. Zo volg ik haar als ze stap voor stap naar het gordijn begint te lopen. De ketting in haar ene hand, de lus in haar andere hand. Zij stap voor stap, ik kruipend.

Het gordijn wordt in het midden voor ons open gehouden. Mijn ogen moeten aan het licht wennen voordat ik hen goed kan zien in de grote ruimte achter het gordijn, waar twee grote staande lampen voor licht zorgen. De mannen staan vlak achter het gordijn, beiden in een lange zwarte cape, beiden hebben een zwarte kap over hun hoofd, een kap zoals Tinor die eerder al had, alleen de ogen en monden vrij latend. Rechts staat Raf, ik zie zijn grijze paardenstaart onder de kap vandaan komen. Onder de cape dragen ze laarzen, zwarte laarzen.

Erane zit een paar meter verder, links bij de muur, op een hoge stoel. Ze heeft het witte masker met de lange snavel nog op, maar ook zij draagt nu een cape. Rood, felrood, zo rood als haar hakken. Ze heeft haar ene been over het andere geslagen. Naast haar stoel staat een kleine tafel met daarop een glas rode wijn. Links en rechts van haar staan meer stoelen, lager. Acht tel ik er.  

De ruimte is te groot. Ik probeer in gedachten een plattegrond te maken van het huis van Raf, de verdiepingen, de gangen en de trappen. Dit kan niet een zolder zijn, geen zolder boven zijn woning. Daarvoor is het te groot. Maar terwijl ik me dit bedenk kijk ik ook naar hen, in capes en met afgedekte gezichten. En ik kijk de ruimte waarin ik ben rond, de grote ruimte met alleen stoelen langs de wanden, en twee grote staande lampen die vooral het lege midden belichten.

Naast me geeft Nanda de lus aan de ketting aan Raf. Ze doet een stap naar achteren. ‘Dank je, Nanda,’ zegt Raf. Hij trekt de ketting wat strakker. Met een kort rukje dwingt hij me haast hem naar het midden van de ruimte te volgen. Tinor loopt mee, tot ik midden in de kamer ben, naakt, aan de ketting die Raf vasthoudt, op handen en knieën, de mannen aan weerszijden naast me, tegenover Erane.

‘Het moment is daar,’ zegt Raf. Ik weet niet of hij dit tegen mij zegt, of tegen Erane. ‘Jouw moment,’ zegt Tinor. En weer weet ik niet of het tegen mij of tegen Erane is. Ze kijken soms naar haar, soms naar mij. Ik kan niets zeggen. Zelfs als ze het mij nu zouden vragen zou ik het niet kunnen. Bij het gordijn staat Nanda nog steeds. Ze kijkt opzij, weg van ons.

‘Dank je wel, Raf,’ zegt Erane. Ze heeft eerst nog een slok van haar wijn genomen en daarna haar glas weer op het tafeltje gezet. Dan vervolgt ze: ‘Je hebt het goed gedaan, Raf, je overtreft elke keer weer onze verwachtingen.’ Ik hoor Tinor lachen, kort, heel even snuivend. Erane staat op. ‘Ik accepteer je gift,’ zegt ze, ‘maar uiteraard op voorwaarde dat de anderen zich in de keuze kunnen vinden.’ ‘Natuurlijk,’ zegt Raf. Hij geeft de ketting over aan Tinor. ‘Erane, Tinor,’ zegt hij, ‘het is aan jullie om de anderen nu dan met hem kennis te laten maken.’

Hij buigt zich iets naar mij voorover. ‘Je hebt het tot zover goed gedaan, vos,’ zegt hij, ‘maar nu moet je aan de anderen gaan laten zien wat je kunt.’ Hij loopt weg, gaat bij Nanda staan. Zij kijkt nog altijd opzij, alsof ze niets wil zien van wat er gebeurt. Erane doet een paar passen mijn kant uit. Als ze voor me staat zegt ze: ‘Je gaat al onze vrienden ontmoeten, vrienden die voor veel andere mensen niet meer dan huisnummers in deze straat zijn, maar die hier hun prachtige eigen wereld hebben en waar Tinor en ik je nu een plek in willen geven, als iedereen het daarmee eens is.’

Ik kijk opzij, zie Raf en Nanda door het gordijn weg gaan. Ze doen het zonder iets te zeggen, zonder nog om te kijken. Zodra het gordijn weer stil hangt gaat Erane terug naar haar plaats, gaat zitten en pakt haar glas. ‘De regel,’ zegt Tinor tegen Erane. ‘Zeg jij het hem maar,’ zegt zij. En Tinor zegt tegen mij: ‘Zij zullen niet herkenbaar zijn, onze gezichten heb je gezien, maar die van hen kun je niet te zien krijgen, ook niet als ze je toe zullen laten, dat is de regel.’

‘Er is nog iets,’ zegt Erane, ‘twee van hen zijn van buiten, zij hebben een heel bijzondere reden om niet herkenbaar voor je te zijn.’ Tinor legt de ketting op de grond. ‘Ga staan,’ zegt hij. Ik doe wat hij zegt, ga rechtop staan, de ketting langs mijn lichaam. ‘De twee die van buiten zijn,’ zegt Erane, ‘kennen jou, en jij kent hen.’ Een golf van paniek gaat door me heen. Tinor en Erane merken het meteen. ‘Zij zijn hier op uitnodiging van Raf,’ zegt ze, ‘het was niet nodig je het eerder te vertellen.’ Op dat moment worden de gordijnen opzij geschoven en zie ik mensen staan. Mensen die achter het gordijn hebben staan wachten. En nu de ruimte binnen komen. Allen hebben een cape aan, lang en zwart, met capuchon over het hoofd, en een masker voor. Het zijn er acht.


TIEN

Acht mensen in capes, capuchons en met maskers voor gaan op de stoelen naast Erane zitten. Er is niets te zien van hun gezichten. Zelfs aan de schoenen kan ik niets zien, alle schoenen lijken neutraal, donker, geen hakken, geen laarzen. In het voorbijgaan kijken ze me even aan. Niets verraadt zelfs maar of het mannen of vrouwen zijn, ik kan het aan hun lichamen in de capes niet zien, hun gezichten zijn volledig verborgen, ze lopen allemaal op dezelfde rustige manier naar hun stoelen. Ik sta naakt voor hen, alleen de halsband om, de ketting weer in Tinors hand. Wie van hen kent me, wie van ken ik, wie zijn het, waar ken ik hen van? Vrienden, collega’s, familie? Wanhopig probeer ik het te bedenken. Het moeten mensen zijn die Raf kennen, al weet ik zelfs dat opeens niet zeker meer.

‘Welkom,’ zegt Erane als iedereen zit. Ze kijkt niet naar hen, spreekt ze niet verder toe. Dat doet Tinor. ‘Dit is de vos,’ zegt hij en gaat achter me staan, ketting in de hand. ‘Voor zes van jullie een onbekende, nu nog, maar dat zal natuurlijk snel anders worden.’ Niemand beweegt, niemand anders zegt iets. Tinor legt van achter af mijn handen achter mijn hoofd, vouwt ze daar samen. ‘De vos wil jullie graag kennis met hem laten maken,’ zegt hij, ‘Erane en ik hopen dat het een goede kennismaking zal zijn, en dat jullie na afloop een weloverwogen oordeel kunnen geven.’

‘Draai je om,’ zegt hij tegen mij. Ik doe het, ga met mijn rug naar de toeschouwers toe staan, sta dan pal tegen Tinor aan. Ik realiseer me dat iedereen de sporen van zijn gesel zal kunnen zien. ‘Goed zo,’ zegt Tinor zacht, tegen mij,’ je doet het goed.’ Achter me hoor ik Erane aan hen vragen: ‘Zijn er mensen die nu al besloten hebben niet met hem verder te willen?’ Ik voel opeens een enorme vernedering. Ik zie hen niet, hoor hen niet, de vraag gaat over mij, over hoe ik er uit zie, acht mensen kunnen er zomaar, onbeschaamd en brutaal, een mening over geven. Ook de twee bekenden. Wat voelen zij? Schamen ze zich, voelen ze opwinding, of vermaak? Waarom wilden ze hier zijn?

Er is geen tijd om er over na te denken. Tinor duwt me aan mijn schouders omlaag, tot ik geknield zit, daarna begint hij te lopen, de ketting strak trekkend zodat ik gedwongen wordt om op handen en knieën achter hem aan te kruipen. Heen naar de achterwand, terug naar het midden van de kamer. Dan door naar het gordijn en weer terug naar het midden van de kamer. Ik vermijd de mensen op de stoelen aan te kijken, ik kan wat ik nu doe alleen als ik strak voor me uit kijk. Ik denk aan Rafs mantra dat ik vandaag zo vaak herhaald heb: niet schuw zijn. Ook als Tinor me hierna dicht langs hen heen leidt kijk ik niet, niet naar hun schoenen zelfs, ik wil niets van hen zien op dit moment, niets van hen weten, alleen het idee dat ik in een lege kamer aan een ketting rondkruip is nog te verdragen.

Tinor brengt me terug naar de plek waar we begonnen, in het midden, in het volste licht. Hij maakt de ketting los van de halsband en laat me weer overeind staan, gezicht naar de toeschouwers toe, handen achter het hoofd gevouwen. ‘Spreid je benen een beetje,’ zegt hij. Ik zet mijn voeten een halve meter uit elkaar. ‘Ja, prima zo,’ zegt Tinor. In dit grote gezelschap lijkt hij geen jaloezie te voelen, anders dan ik eerder wel bij hem bespeurde. Deze rol, voor de groep, bevalt hem. Ik schaam me voor hem minder dan voor de anderen. Hij is de enige die dichtbij is en me zou kunnen helpen. Erane is te ver weg en te stil. Ik ken haar nu niet.

Ik voel Tinors handen aan weerszijden op mijn heupen. Ik kijk even omlaag en zie ze, sterke vingers, schone goed geknipte nagels. Snel kijk ik weer voor me uit, over de hoofden van de mensen op de stoelen heen. Niets is alles nu, alles is niets. ‘Toe maar,’ zegt Erane, ‘doe het maar, Tinor.’

Tinors linkerhand glijdt omhoog, langs mijn zij, neemt mijn tepel tussen duim en wijsvinger, knijpt er zachtjes in. Onwillekeurig zie ik iemand op een stoel naast Erane de benen over elkaar slaan. Tinors andere hand gaat over mijn heup naar mijn dijbeen, met gestrekte vingers. Dan iets omhoog. En weer omlaag. Een haast achteloze beweging, geen streling, maar mijn lichaam reageert er op. Ik kan er niets aan doen, terwijl hij zijn vingers ontspant en ze over de huid, van dij naar buik, op en neer laat glijden. De vingers van zijn andere hand knijpen harder in mijn tepel. Opwinding en afkeer vermengen zich, zijn niet meer van elkaar te onderscheiden, het effect is voor iedereen duidelijk zichtbaar. Iemand kucht, heel even, een ander gaat verzitten. Ik zie een klein stukje scheenbeen onder een cape, glad, blank. En opeens zie ik nagels, lange gelakte nagels, bij degene die het meest links zit.


ELF

Dan is het voorbij. Tinor laat me los, plotseling, stapt naar achteren. Erane staat op. Nu is zij het die de mensen toespreekt. Rustig, alsof er niets bijzonders aan de situatie is, zonder trilling of aarzeling in haar stem. ‘Dank jullie,’ zegt ze, ‘en nu ben ik benieuwd naar jullie oordeel.’ Ze kijkt de rij langs. ‘Willen jullie terug gaan naar de voorkamer en daar jullie stem uitbrengen?’
Ik zie hoe ze opstaan. Ordelijk, zoals je doet als alles goed is afgesproken, je niet naar een ander hoeft te kijken om te weten wanneer het jouw beurt is. Ze staan op, eerst de mensen rechts, dan de mensen links van waar Erane heeft gezeten. En ze lopen naar waar ze vandaan zijn gekomen, het gordijn door, dat door iemand voor ze wordt opengehouden. Niemand zegt iets, twee mensen knikken in het voorbijgaan even naar Erane, een derde doet dat naar Tinor die nu weer naast me staat. Alleen degene op de meest linker stoel blijft iets langer zitten, lijkt zich iets te laat te realiseren dat het zover is. Ik zie het, al is het maar een paar seconden. Degene op de meest linker stoel is iets te laat. Degene van wie ik de lange, gelakte nagels zag. De enige met lange, gelakte nagels.

Ik kijk naar hen als ze weglopen. Ze kijken niet naar elkaar, wachten niet op elkaar, ze weten heel goed hoe ze dit moeten doen. Ook degene met de lange, gelakte nagels, die als laatste aansluit en zonder nog om te kijken achter het gordijn verdwijnt.

Ik blijf achter met Erane en Tinor. Verhul mijn naaktheid nu, zoveel als ik kan, twee handen voor me gevouwen. Tinor aarzelt, even zonder rol. ’Laat ons maar alleen,’ zegt Erane tegen hem. Hij kijkt haar aan, gaat iets zeggen, maar zegt uiteindelijk niets en loopt de kamer uit, het gordijn valt achter hem dicht.

‘Nu gaan ze over je beslissen,’ zegt Erane die net als de anderen opgestaan is maar bij haar stoel is blijven staan. ‘Zoals altijd,’ voegt ze er aan toe. Ze duwt haar masker met de snavel omhoog, doet het af. Ze komt bij me staan. We kijken elkaar in de ogen. Ik voel me overmand, door emotie, boosheid en verbijstering, door haar, door haar gezicht dat er ineens weer is, haar nabijheid nu, en voel de behoefte haar tegen me aan te voelen, gerustgesteld te worden, getroost, bemind. Ik zie dat ze het ziet. ‘Later, misschien,’ zegt ze.

Even staan we stil tegenover elkaar. Ik kan niet weg, het is nog niet klaar, ik moet het nu tot het einde meemaken. Zij doet nog een stap mijn kant op, staat dan vlak voor me en ze kust me. Vol op mijn mond, negeert mijn verbazing, laat de kus duren. Ik wil dat dit niet stopt, sta onhandig met mijn armen langs mijn naakte lijf bijna tegen haar aan, haar lippen op de mijne, sluit mijn ogen. Tot ze haar hoofd naar achteren doet en glimlachend bij me weg stapt.

‘Als ze het niet willen,’ zegt ze, ‘moet je weg, ook voor mij, begrijp je dat?’ Ik knik zonder begrip. Zou haar even vast willen houden, zacht, haar zachtheid voelen, tederheid, weg uit dit idiote toneelstuk. Maar het kan niet. Alles gaat door. ‘Stemmen is anoniem,’ zegt Erane, ‘heeft Raf je dat gezegd?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Anoniem,’ zegt ze, ‘we zijn ook buren tenslotte, we willen geen verwijten, er komt nog een hele zomer vol gezellige barbecues aan.’ Ze kijkt me aan. ‘Persoonlijk,’ zegt ze, ‘hoop ik op een gunstige uitslag.’ Ik kijk van haar weg. ‘Dank je,’ zeg ik, maar eigenlijk had ik haar een vraag willen stellen die ze niet wil horen.

Ze gaat weer zitten. ‘Raf zal altijd je vriend blijven,’ zegt ze, ‘wat er ook gebeurt.’ Ze raadt wat ik wil zeggen. ‘De anderen kun je niet meer zien, Tinor niet, mij ook niet, zo is het nu eenmaal, dan zijn we allemaal weer gewone huisnummers en gewone huiskamers met gewone gezinnen, met kinderen en soms kleinkinderen, je begrijpt dat het niet anders kan.’ Sinds we in deze ruimte zijn heb ik niets gezegd. Nu zeg ik: ‘Alsjeblieft.’ En heb daar meteen spijt van, ik hoor het woord en hoor hoe het niet past, hoe misplaatst het is. Erane schudt haar hoofd, een keer, van links naar rechts.

Ze zucht. Heel even maar. ‘Raf heeft meestal jongere mensen,’ zegt ze daarna, ‘misschien is dat nu een probleem.’ Ze zegt het zonder me aan te kijken. ‘Voor de een is dat belangrijk,’ zegt ze, ‘voor de ander niet, of minder.’ Ze schuift haar glas een klein stukje over het tafeltje. Als een schaakstuk, en alsof ze wacht op een tegenzet.

Ze kijkt naar me, ik kijk naar haar. ‘Ze komen niet terug naar hier,’ zegt ze, ‘alleen Tinor komt om het te zeggen.’


TWAALF

Tinor. Zonder kap, met cape. ‘We zijn klaar,’ zegt hij, als het gordijn achter hem is dichtgevallen. Hij heeft een papiertje in zijn hand. Hij loopt langs me heen zonder naar me te kijken. Hij stopt vlak voor Erane. ‘Ze hebben allemaal gestemd,’ zegt hij, ‘ook de twee buitenstaanders, maar zij hadden alleen twee witte steentjes in hun envelop zitten en geen rode of groene natuurlijk.’

‘Twee groen, drie rood, drie wit,’ zegt hij. Ik sta nog steeds naakt midden in de kamer, in het volle licht, de halsband om, handen voor me gevouwen. Erane kijkt naar Tinor, Tinor kijkt naar Erane. Hij haalt zijn schouders op. ‘En jij en ik,’ zegt hij tegen haar, ‘verzetten ons er nooit tegen.’ Ze kijkt naar haar glas. Haar glas is leeg. ‘Dat is duidelijk,’ zegt ze. Tinor lacht. ‘Ja, het is leeg,’ zegt hij. ‘Wees niet zo irritant,’ zegt ze. ‘Sorry,’ zegt Tinor.

En dan zegt hij sorry tegen mij. Hij doet een paar stappen mijn kant op, aarzelt, kijkt naar haar. Ze knikt. Hij kust me, op de wang. ‘Je hebt het goed gedaan,’ zegt hij. ‘Kus hem echt,’ zegt Erane. ‘Nee,’ zegt hij, ‘dat is niet afgesproken.’ Ze zucht, zoals iemand zucht die weet dat het is zoals het is, zoals het soms gaat. ‘Misschien is het beter zo,’ zegt Tinor, ‘ze zouden het je niet gemakkelijk hebben gemaakt.’

Ik kijk naar de muur boven Erane. Tot ze opstaat en naar het gordijn loopt. Daar heel even wacht maar uiteindelijk niet omkijkt en het dan opzij schuift en weg gaat. Timor pakt het masker op dat Erane achtergelaten heeft. ‘Zo gaan dingen soms,’ zegt hij.


DERTIEN

Nanda haalt me op. ‘Ik had je gewaarschuwd,’ zegt ze. Ze heeft al mijn kleren bij zich, ook mijn slip. Ze wacht tot ik me heb aangekleed, haar blik afgewend. Ze houdt haar hand op. Ik geef haar de halsband.


EPILOOG

‘Nep,’ zegt ze. Haar glanzend rood gelakte nagels waren me nooit eerder opgevallen. Niet bij het verjaardagsfeestje van hun zoon, mijn beste vriend, alweer een jaar geleden. Niet bij de vernissage waar haar zoon trots rondliep en iedereen die het wilde horen enthousiast vertelde over de schilderijen van zijn moeder, en waar haar man verveeld witte port nippend op een bankje zat. En niet bij de rondleiding over hun landgoed die hun zoon me al zo vaak beloofd had en zich nu nog maar eens verontschuldigde voor het feit dat zijn ouders vreemde vogels waren die er als bejaarde hippies bijliepen.

‘Nep,’ zegt ze, ‘eigenlijk haat ik ze, en misschien passen ze ook niet zo bij een mens van in de zeventig.’ We wachten tot onze voorgerechten op tafel zijn gezet. Couscous met perzik en falafel.

‘Ken je Raf?’ vraag ik. Het is een overval. Ze kijkt op, haalt haar handen even van tafel. ‘Ik denk het wel,’ zegt ze.

 

Alle verhalen van: Zilvervos

Fijn verhaal 
0

Plaats reactie

  

Schrijvers willen dolgraag weten hoe hun verhaal wordt ontvangen. Een korte opmerking is vaak al voldoende. Wij nodigen je dan ook van harte uit om een reactie te geven op dit verhaal. Daarvoor hoef je geen lid te zijn.

  

Beveiligingscode
Vernieuwen