3944 woorden | Leestijd 20 minuten

Afgelopen zomer verhuisde ik naar Nergenshuizen. Naar een prachtig huisje aan de rand van het bos. Helemaal voor mezelf alleen. Ik nam de tijd het mooi in te richten en lekker te settelen. Ik hou van alleen zijn, maar ontmoet ook graag anderen. Maar wel op mijn eigen tijd. Vooreerst was het voldoende om mijn nieuwe dorpsgenoten te ontmoeten bij het bakkertje, de slager en de groenteboer. Na een paar dagen herkende ik al diverse gezichten van voornamelijk vrouwen die ook hun boodschapjes deden. Ze bekeken me met nieuwsgierigheid en ik liet ze. Het waren net hondjes die even moesten snuffelen aan een nieuw beestje in de buurt. Ze zagen dat ik onschuldig was, niets te verbergen had en vriendelijk knikte en glimlachte. En wie aardig is, krijgt aardigheid in ruil. Ze vroegen dan of ik naar mijn zin woonde, of ze heetten me hartelijk welkom en zeiden dat het gezellig was, zo’n vrouw als ik erbij in het dorp. Het was fijn zo geaccepteerd te worden als vrouw alleen.

Na een week of drie gebeurde er iets opmerkelijks. Ik kwam bij de bakker voor mijn dagelijkse halfje speltbrood. Bij het afrekenen werd mij nadrukkelijk een roze kassabonnetje toegeschoven. Ik zei dat dat niet nodig was, maar het winkelmeisje hield aan. Er waren op dat moment twee andere klanten in de winkel aanwezig, vrouwen van mijn leeftijd. Eentje schoof dichterbij.
‘Bekijk het bonnetje goed,’ sprak ze zacht. ‘Het gaat om de achterkant.’
Ze keek uiterst serieus. De andere klant en het winkelmeisje knikten. Ik draaide de bon om en las: Vrouwenlaantje 16. Dat was niet het adres van de bakkerij wist ik toevallig. Alle winkels lagen namelijk aan de Dorpsstraat. Vragend keek ik de vrouwen aan. Ze keken terug in zekere ernst en knikten slechts.
‘Wat is er op dat adres?’ vroeg ik.
Vonden ze misschien dat mijn haar een knipbeurt nodig had en zat daar een kapper? Was het wellicht reclame voor een leuk kledingzaakje?
‘Vrouwenlaantje 16,’ zei de andere vrouw veelbetekenend. ‘Neem het bonnetje mee. Je hebt de streepjescode nodig.’
‘Maar hoezo? Wat is daar dan?’
Ze keken elkaar aan, maar zwegen. Ik bleef aarzelend op de deurmat staan.
‘En wanneer?’

De antwoorden bleven uit. Besluiteloos draaide ik me om en liep naar huis. Wat een stompzinnig gedoe. Ik stopte de bon diep in de zak van mijn jas alsof het me niet kon schelen. Maar het eerste wat ik deed toen ik eenmaal thuiskwam, was ‘Vrouwenlaantje 16’ intypen op mijn tablet. Dat leverde een beperkt aantal hits op die verwezen naar diverse Vrouwenlaantjes in Nederlandse en Vlaamse plaatsen. Er was zelfs een steeg in Paramaribo die zo heette. Ik combineerde de zoekopdracht met Nergenshuizen en kwam terecht op google maps. Het was op hooguit tien minuten loopafstand van mijn woning. Streetview bood geen soelaas.

Ik at mijn boterhammen met avocado en kaas, dronk mijn karnemelk. Gedachteloos bladerde ik door de Flow. Misschien kon ik straks even kijken daar, met eigen ogen zien wat dan zo bijzonder was aan Vrouwenlaantje 16. Ik pakte mijn tablet er weer bij. Grappig, het Vrouwenlaantje ging over in het Herenpaadje. Zo te zien liep dat recht het bos in. Zo kon je naar Niemandsland fietsen. Dat was ik sowieso nog van plan. Wacht, ik zou dat meteen combineren. Het was heerlijk fietsweer.

Nog geen uur later draaide ik het Vrouwenlaantje in. Er stonden villa’s met enorme tuinen, de een nog luxueuzer dan de ander. Links waren de even nummers. Nummer 4 had twee garages, op de oprit van nummer 8 stond een enorme Amerikaanse slee. Ik passeerde nummer 10, 12 en 14. Het volgende huis, een rietgedekte jaren ’30 woning, moest nummer 16 zijn. Maar vreemd, de brievenbus gaf 18 aan. Ik remde. In de verte naderde een man met een hond. Ik fietste terug naar het vorige huis. Op het gietijzeren hek dat de oprijlaan afsloot, prijkte een 1 en een 4. Waar was 16?
‘Kunt u het vinden?’ De man met de hond.
‘Ik zoek nummer 16, maar dit is 14 en…’
‘Ja, dat dacht ik al,’ onderbrak de man me, ‘iedereen is altijd op zoek naar nummer 16. Je moet gewoon goed kijken, dame. Zoekt en gij zult vinden.’
Hij maakte aanstalten om door te lopen. Zijn Duitse herder trok aan de riem.
‘En wat kan ik er überhaupt aantreffen?’ Mijn vraag klonk een beetje wanhopig. Ik moest een dwaze indruk maken. De man keek me meewarig aan.
‘Ach,’ zuchtte hij, ‘treffen we niet aan wat we graag aan willen treffen?’ De ongeduldige hond trok hem bij me vandaan. Een meter of vijf verder keek hij nog één keer achterom. Mijn vertwijfelde houding was hem niet ontgaan. ‘Gewoon uitproberen,’ riep hij, ‘gewoon doen.’

Met de fiets aan de hand liep ik weer in de richting van nummer 18. Een manshoge ligusterhaag benam me het zicht op de tuinen. Ik staarde me blind op een muur van groen. Opeens zag ik het, een nauwe doorgang in de heg, onopvallend, vanaf de straat alleen zichtbaar als je ernaar zocht. Althans, ik nam aan dat dit zou leiden naar Vrouwenlaantje 16, want een nummer was nergens te bekennen. Ik tuurde de straat af. Er was niemand. Ik kon natuurlijk gewoon even kijken wat zich achter die opening bevond. In elk geval even verifiëren of daar daadwerkelijk nummer 16 was. Ik zette mijn fiets op slot en wurmde me door de opening.

De ruimte achter de struiken was verrassend groot. Vrouwenlaantje 14 noch 18 waren te zien, en in plaats daarvan doemde een open plek op en een trap die naar beneden leidde. Daar zag ik twee glazen deuren, de linker met een enorme 1, de rechter met een 6. Ik was er, dit was onmiskenbaar nummer 16. Aarzelend nam ik een paar treden naar beneden. Binnen brandde licht, maar ik zag niemand. Of toch, achter een houten desk zat een dame op een beeldscherm te kijken. Voordat ik het wist, stond ik aan de deur te morrelen. Waarom deed ik dat in godsnaam? Wilde ik eigenlijk wel naar binnen? Uit mijn jaszak had ik de roze bakkersbon opgediept. Wat ik vermoedde gebeurde: de deur klikte open toen ik de streepjescode bij de deurknop hield. Het werkte als een sleutel.
De dame keek op van haar monitor en schonk me een beleefd glimlachje. Haar lippenstift had afgegeven op haar tanden.

‘Ik zie het al, u bent die vrouw die hier nog niet zo lang geleden is komen wonen. En nu wilt u lid worden.’
‘Lid?’
‘Niet?’
‘Waarvan?’
‘Nou, dat lijkt me duidelijk. Van Vrouwenlaantje 16.’
‘Maar wat ís Vrouwenlaantje 16?’ Ik wilde niet ongeduldig klinken, maar dat deed ik waarschijnlijk wel. De dame knipperde een paar keer nadrukkelijk met haar zwaar opgemaakte ogen, terwijl ze me aan bleef kijken. Toen schraapte ze haar keel.
‘Dat hebben ze u niet verteld?’
‘Eh, die vrouwen bij de bakker bedoelt u? Die hebben me niks verteld, nee. Een en al geheimzinnigheid. En nu begint u ook al.’
Ze schudde haar hoofd. Haar donkere krullen bewogen mee.
‘Nee, hoor, ik zou niet durven.’ Haar glimlach was breder nu. De lippenstift zat op al haar blinkend witte tanden. ’Vrouwenlaantje 16 is een intimiteitengezelschap voor dames. Voor twaalf tientjes bent u lid. Exclusief drankjes natuurlijk. En dagelijks heeft u een nieuwe bakkersbon nodig om de deur te ontgrendelen. Bakker Smit is onze belangrijkste sponsor. Maar dat moet geen punt zijn. Brood eten we elke dag, nietwaar?’ Ze haalde haar neus op.

‘Intimiteitengezelschap voor dames?’ Ik prevelde de ongebruikelijke woordgroep voor me uit.
‘Het is niet wat u denkt, hoor. Het is gewoon gezellig. Vrouwen onder mekaar.’
Niet wat ik dacht? Wat zou ik dan moeten denken? De receptioniste zag mijn verwarring.
‘Weet u wat, ik neem u even mee naar binnen. Er is momenteel niemand, dus gelegenheid genoeg voor een rondleiding.’
Ik knikte, dat moesten we inderdaad maar doen. Mogelijk zou ik eindelijk snappen waar dit allemaal over ging. We gingen door klapdeuren naar binnen. De vrouw was net iets groter dan ikzelf. Haar krullen dansten bij elke stap. Ze verspreidde een prettige zoete geur. Iets met perziken. Het riep positieve associaties op. Badschuim, aangenaam warm water, loomheid.
‘Voordat we verder gaan,’ zei ik, ‘zullen we elkaar tutoyeren? Ik ben Sarah.’ Ik stak mijn hand uit. Haar hand voelde warm en krachtig. Haar vingers waren lang en slank. ‘Inge,’ zei ze, ‘ik ben een van de gastvrouwen.’

Terwijl we door de sfeervol aangeklede ruimtes liepen, met parket op de vloeren en muren in pasteltinten, met prachtige schilderijen van schaars geklede vrouwen en beelden van naakte vrouwentorso’s, begon ik te begrijpen wat de opzet van Vrouwenlaantje 16 behelsde. Het was duidelijk dat Inges ‘vrouwen onder mekaar’ wel degelijk een pikante ondertoon droeg. Hoe verder we in de ruimtes doordrongen hoe duidelijker dat werd. Was de eerste kamer nog bedoeld om gezellig koutend door te brengen in zitjes met rotan stoeltjes en dito tafeltjes, in de tweede ruimte was het nadrukkelijk de bedoeling dat te doen slechts gekleed in lingerie. Inge vertelde het ogenschijnlijk onbewogen, maar de blos op haar wangen verraadde toch een zekere opwinding. Had kamer twee een kleedkamer om de bovenkleding achter te laten, kamer drie had daarnaast ook douches en handdoeken. Daar was het namelijk de bedoeling helemaal uit de kleren te gaan en in evakostuum plaats te nemen op de sofa’s en banken.

‘We hebben lichamelijk noch geestelijk iets voor elkaar te verbergen,’ lichtte Inge toe. ‘We zijn zoals we zijn.’
Ik knikte alsof het allemaal de gewoonste zaak ter wereld was. Verderop zag ik nog een laatste kamer. Het was er schaars verlicht. Inge zag me kijken en herkende de vraag op mijn gezicht.
‘Voor als je het nog intiemer wil.’ Haar stem was zacht, ze keek me aan. Haar glimlach leek verontschuldigend.
‘Voor seks, bedoel je, als je wil vrijen?’ Mijn vraag klonk platter dan ik bedoelde, maar Inge knikte.
‘Is het hier bedoeld voor lesbische vrouwen?’ wilde ik nog weten. Inge schudde haar hoofd. Ze lachte haar tanden bloot. Ze had een knap gezicht, ze lachte lief.

‘Kom eens,’ zei ik en rommelde in mijn tasje. Ik vond het papieren zakdoekje dat ik zocht. ‘Je hebt lippenstift op je tanden.’ Terwijl ik me naar haar toeboog, draaide Inge haar mond naar het licht. Ze liet me begaan met het zakdoekje op haar tanden en ik voelde hoe haar warme adem langs mijn vingers ging. Als een volleerd schoonheidsspecialiste verwijderde ik het rood van haar glanzende bovengebit. We stonden dicht tegen elkaar, een onbedoeld tafereel dat hoe langer het duurde steeds meer de bedoeling leek. Haar adem rook naar tandpasta, de hanger aan haar linkerlel bungelde zachtjes heen en weer, een haarlok gleed opzij op haar voorhoofd.

Mijn mond was vlak bij de hare toen Inge begon te spreken. Alsof ze wilde voorkomen dat onze lippen raken zouden.
‘Kun je vanavond komen, dan ben ik er ook. Dan is het hier gezellig druk, vrouwen onder mekaar. Dan kunnen we misschien, als jij dat ook wilt, nader kennismaken. Ik heb nu nog wat administratieve zaken te doen.’ Ze wees verontschuldigend in de richting van de receptie. ‘Vanavond, uurtje of acht?’ vroeg ze. Ik liep achter haar aan naar buiten.

Op de fiets vervolgde ik de route door de bossen naar Niemandsland. Ik was teveel in mijn eigen hoofd om van de natuur te kunnen genieten. Telkens weer doken de ruimtes van Vrouwenlaantje 16 op in mij gedachten. Met als prangende terugkerende vraag: zou ik daar durven gaan? Me begeven in een gezelschap van onbekende vrouwen, mogelijk half of geheel ontkleed, gezellig babbelend over de zaken des levens. Zou ik sowieso durven om mezelf daar te vertonen in mijn nakie. Met het risico dat er iemand zou zijn die met mij die ene ruimte in wilde? Of zou ik zelf iemand treffen die ik zou voorstellen om… Ik kwam er niet uit fietsend door de bossen. Ik kon maar een ding doen om erachter te komen of het ‘vrouwen-onder-mekaar-concept’ aan mij besteed was: ik moest gaan. Rechtsomkeert maken als het niks was, me erin storten als het zou bevallen. En ik kende Inge al, die beviel.

Iets over achten stond ik die avond gespannen en met drempelvrees opnieuw voor de deur van Vrouwenlaantje 16. In de schemering zag de plek er een stuk mysterieuzer uit dan bij daglicht. Weer ging ik het trapje af en opende de deur met mijn bakkersbon. Van binnen klonk het gekrakeel van talloze vrouwenstemmen. Bij de receptie zat een oudere gesoigneerde dame bij wie ik me inschreef en betaalde. Ik kreeg een foldertje met clubregels en een mondelinge toelichting.
‘De regels zijn maar regels, Sarah,’ zei ze, ‘waar het om draait is dat we elkaar met respect behandelen, wat we ook doen. Veel plezier.’ Ik liet mijn jas achter in de garderobe en begaf me in het gezelschap van tientallen vrouwen van diverse pluimage. Ik keek rond, zij keken naar mij. Daarmee had ik in feite de crux te pakken van Vrouwenlaantje 16: het ging om kijken en bekeken worden.

Bij de bar bestelde ik een cappuccino. Terwijl ik erop wachtte, knikte een dame op de barkruk naast me mij vriendelijk toe. Ik schatte haar boven de 60, en ze zag er schitterend uit met een enorme bos grijs, bijna wit haar. Ze stak haar hand uit.
‘Geertruida. Zeg maar Trui. Of Truitje. Ben je nieuw?’ Ze knabbelde aan een koekje.
Het was fijn om direct iemand te vinden met wie het klikte. Trui was 63 en medeoprichtster van Vrouwenlaantje.

‘Het is belangrijk dat vrouwen een plekje hebben om samen te komen. Om te kletsen, te drinken, feest te vieren, naar elkaar om te kijken, te vrijen. Zonder die eeuwige kerels.’ Ze lachte hardop. ‘Niet dat ik niet om mannen geef, hoor. Dit is geen pottenclub of zo. Als vrouwen vrijen met vrouwen zijn ze niet meteen lesbisch. Er zijn ook genoeg mannen die met mannen vrijen en niet gay zijn. Je eigen soort is gewoon herkenbaar. Ja toch?’

Ze raakte een heikel punt dat me persoonlijk raakte. Als vrijgezel die tot nu toe slechts aan heteroseks had gedaan wist ik niet precies wat ik moest denken van vrijen met een vrouw. De gedachte hield me bezig, wond me zelfs op, maar het leek me niet waarschijnlijk dat ik straks stomende seks met een vreemde vrouw zou hebben. Zo was ik nu eenmaal niet. De kans was groot dat ik niet verder zou komen dan deze eerste ruimte, gezellig keuvelend met Truitje aan de bar.

‘Zullen we naar hiernaast gaan?’ vroeg Trui. ‘Daar kunnen we in ons ondergoed.’ Ze zei het alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. En toen ik vertwijfeld op mijn kruk bleef zitten pakte ze mijn hand en trok me mee. Even later stond ik me schuw uit mijn jurk te pellen, kijkend naar die statige Geertruida die haar bovenkleding van zich af liet glijden als gebruikt badwater. Ze gaf me een arm. Ik bedacht me dat ze mijn moeder had kunnen zijn. Moeder en dochter betraden de lingeriezaal met opgeheven hoofd en namen plaats op een zwart lederen bank waarin we diep wegzakten tegen elkaar aan. De huid van Truis benen en armen voelden weldadig warm en zacht, poezelig zelfs. Ze sloeg een arm om mijn schouder.

‘Je bent een schatje, weet je dat?’ Als ze een vent was geweest had ik hem waarschijnlijk een mep verkocht. Nu liet ik haar dichterbij komen. Haar lippen kusten mijn hals. Het was weldadig, zalig, onovertroffen. Het was sowieso lang geleden dat ik zo gekust was en degene die dat deed was geen vrouw geweest. Ik voelde Truis handen op mijn dijen, ertussen, tot waar ze niet verder kon en op mijn kruis stuitte. Ik verstrakte. Truitje voelde het.

‘Ontspan, meisje, dan is het nog fijner.’ Ik zag dat we de aandacht van anderen trokken, er werd aangestoten, geknikt, subtiel gewezen. Tot Truis hoofd mijn uitzicht benam. Ze kuste me, in mijn gezicht, maar vervolgens op mijn mond. Langzaam voelde ik mijn onwilligheid wijken, ging ik op in de wederzijdse kus en voelde haar moederhand mijn intiemste deel strelen. Vanuit mijn ooghoek zag ik iemand stilhouden bij onze bank en naast me plaatsnemen aan de andere kant. Het was Inge. Ze was topless en vlijde haar borsten tegen mijn linkerflank. Ze zoende mijn oor, beet in mijn oorlel en kneedde mijn bil met haar hand. Tegen zoveel zinnenprikkelend geweld was mijn verstand niet opgewassen. Ik dreef weg uit de realiteit en liet me als een wagonnetje op het spoor naar bevrediging zetten. Truitje en Inge als de stoker en de machinist.

‘Hoi.’ Inge en Trui weken. Mijn wangen gloeiden. Voor me stond een jonge meid die ik niet meteen thuis kon brengen. Ze hield haar hoofd een beetje schuin. Ze had een prachtig lingeriesetje aan in bordeauxrood.
‘Bianca, je weet wel, het bakkersmeisje.’ Ze boog voorover om me te kussen. Misschien maakte ik mezelf wat wijs, maar ze rook naar versgebakken brood. ‘Sarah heet je toch? Leuk dat je meteen gekomen bent.’ Ze draaide zich naar Inge en Geertruida. ‘Nemen we haar mee?’ Het antwoord verstond ik niet. Ik werd overeind gehesen en meegenomen de volgende ruimte in waar het wat rustiger was, maar de sfeer ongekend broeierig. Ik voelde hoe ze me uitkleedden, zag hoe Bianca mijn ondergoed aan een haakje hing en zich zonder gêne van haar prachtige lingerie ontdeed. Ze bewoog zich vrij en sensueel met dat goddelijke jongevrouwenlijfje van haar, wat het lastig maakte mijn handen thuis te houden. Haar vel gloeide als hout in de haard.

Ik wist waar het trio me mee naartoe nam, ik verzette me niet. Het was in gang gezet, er viel niets te stuiten. Als een waterval die in de diepte stort. Als een hogesnelheidstrein die een tunnel indook. Tenzij er iemand aan de noodrem ging hangen. Ik was het niet, ik was slechts het wagonnetje dat voortgetrokken werd door drie locomotieven die geen twijfel hadden over de bestemming. Ontsporen zouden we zeker. Ik stond al niet meer, ik lag. Overal was zachte huid en sappig vlees. Vingers, monden. Er kwam iemand op me liggen, mijn handen voelden billen, mijn billen voelden handen, er was grijswit haar, bruin, blond, lippen, veel lippen, zacht wijkende lippen, zilte, naar tandpasta smakende, met getrimde haartjes en volle bos, transpirerende oksels, gesloten oogleden, puilende oogbollen, wimpers, wenkbrauwen, oren, neuzen. En adem, snelle hijgende adem, stotende kreunende adem. Acht grijpende handen, gespreide wijde dijen, ronde konten, sijpelende spleten.
Ik wist niet meer waar ik was, het deed er ook niet toe, niemand had enig idee.

Toen ik mezelf terugvond, plakte ik aan alle kanten. Ik rook naar vreemde vrouwen, een aardse mengeling van kut en eau de toilette. Ranzigheid die geil maakt. Oksel en dagcrème. We lagen op en over elkaar. Langzaam keerde het leven terug in onze uitgegeilde lijven. Er viel nog een kus hier en daar, een aai over bil of borst, een graai in een kruis. Bianca slaakte een diepe zucht. Alsof een zware klus geklaard was.
We raapten elkaar en onszelf bijeen en liepen wankel naar de douches. Ik zag meer vrijende vrouwen, waarvan sommige gênant intiem. Maar ongetwijfeld hadden anderen dat van ons ook gedacht. Onder de douche kwamen we langzaam bij. We zeepten elkaars ruggen in en stonden bij elkaar als een groep merries in de wei op een regenachtige dag. We hinnikten.

Die nacht wilde de slaap niet komen. Ik had niet anders verwacht. Mijn lichaam was wakker gemaakt uit een diepe seksloze winterslaap. Alles wat ik deed, ook al was het slechts woelen in mijn bed, voerde naar mijn ervaringen op Vrouwenlaantje 16. Zelfs toen ik tegen het ochtendgloren wel in slaap viel, zag en voelde ik onafgebroken mijn vriendinnen van de club. Ik was spiernaakt natuurlijk en moest dansen, terwijl ze toekeken, rondrennen van de een naar de ander, voor ze koken, massages geven, op handen en knieën rondkruipen, kijken terwijl ze plasten. Ik ontwaakte moe maar voldaan, het dekbed als een boa om mijn lijf gekronkeld.
Het was al halverwege de ochtend toen ik gewassen, opgemaakt en zorgvuldig gekleed op pad ging. Het doel was helder. Van mijn drie vriendinnen zat Bianca nog het meest in mijn hoofd. In mijn vingers zelfs, in mijn neus en mond. Ik stevende af op de bakkerswinkel. Ik zou er meer halen dan alleen mijn dagelijkse halfje speltbrood.
Mijn teleurstelling was groot toen ik achter de toonbank niet de lieftallige Bianca aantrof. In plaats daarvan hield een of ander wijf, grof van stuk, de wacht over de broden.
‘Is Bianca er niet?’ vroeg ik bedeesd.
‘Wie?’ riep de kenau.
Ik herhaalde de naam. Het was gewoon al heerlijk Bianca’s naam uit te spreken. Haar klanken toverden haar lijf tevoorschijn. Met de b haar borsten en billen, en met de c haar…’
‘Die ken ik niet,’ krijste het wijf.
‘Ze stond gisteren in de winkel, ik…’
De vrouw haalde haar neus op en schudde ongeduldig haar hoofd. ‘Gisteren was ik hier. Geen Bianca te bekennen. Wou u brood?’ Ze zwaaide spastisch een arm richting de opgestelde broden.

‘Wat gek. Ik was hier gisteren en…’ Ik zag dat ik niet kon rekenen op de empathie van de vrouw.
‘Geen Bianca, dame, wel brood. Wat mag het zijn? Wit, bruin, zonder zaad, met zaad, met knip, zonder knip…’
‘Doet u dan maar een halfje speltbrood,’ gaf ik me over.
‘Hebben we niet. Nooit gehad ook, gaan we niet doen. Al die nieuwlichterij.’ Ze sprak met consumptie. Een druppel speeksel viel op een zakje chocolaatjes.
‘Hè?’ Ik snapte er geen reet meer van. Was ik dan zo van de wereld dat ik een verkeerde bakkerij was binnengelopen? Onzin, natuurlijk, er was maar een bakkerswinkel in het dorp. Ik was het zat. Ik nam een halfje volkoren en droop af. Bij de deur bedacht ik me.

‘Mag ik de roze kassabon van u?’
‘Nou, die gooi ik net weg. O, u heb geluk. Hiero!’ Ze stak een papiertje in de lucht. Een wit papiertje.
‘Geen roze?’ piepte ik. Maar ik wachtte het antwoord niet af. Ik had behoefte aan zuurstof. Als op instinct liep ik mijn route. Binnen tien minuten had ik het Vrouwenlaantje bereikt. Ik liep langs nummer 14 en zocht de heg af. Nergens was een toegang te bekennen. Ik liep door en kwam bij nummer 18. Ik liep terug. Nummer 14. Wel ligusterhaag, geen opening.

‘Kan ik u helpen?’ Het was de man met de hond van de dag daarvoor.
‘Ja, ik zoek Vrouwenlaantje 16. Net als gisteren, weet u nog?’
Hij keek me vragend aan en gaf geen blijk van herkenning. De hond pieste tegen een boom.
‘Vrouwenlaantje 16, tja, gek hè,’ zei hij met een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Je hebt wel 14 en ook 18, maar geen 16.’
‘Gisteren zat er een gat in de heg,’ probeerde ik.
Hij negeerde mijn opmerking. ‘Ik heb ooit gelezen in een oud boek dat er een vrouw is geweest die hier aan dit laantje een perceeltje wilde kopen. Misschien wel 100 jaar geleden. Dat stuitte op grote bezwaren bij de dorpsgemeenschap. Ze hield het met vrouwen, namelijk. Dat kon natuurlijk niet. Kom hoe heette dat mens, Gerda, Gertrud…’
‘Geertruida?’ opperde ik. ‘Trui, Truitje?’
‘God ja,’ zei de man, ‘zoiets ja. Geertruida, dat zal het zijn geweest.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Een pot, dus, en dat 100 jaar geleden. Dat pikten ze niet hier. Ze had het perceel al gekocht. Nummer 16.’

Hij maakte aanstalten zijn hond te volgen die hem al ver vooruit rende. Toen keek hij me aan.
‘Gaat het wel goed met jou, je ziet zo bleek.’
‘Ach ja, waarom niet,’ zei ik weinig overtuigend.
‘Heb je trek in koffie? Zet ik een bakje. Met zijn tweeën koffie drinken is gezelliger dan alleen. Ja toch?’
Hij gaf me een hand. Ik volgde gedwee. Op de hoek keek ik nog een keer om.

 

Alle werken van: Vanille

Fijn verhaal 
+9

Reacties  

Fantasie is iets prachtigs. Vanille bezit er gelukkig een grote dosis van en ze laat ons ervan meegenieten. Heerlijk verhaal weer. Toppie!
Om bij weg te dromen... en dat heb ik dus ook gedaan. Prachtige 'Vanilla' ?
Grandioos....,hier heb je echt fantasie voor nodig.
Fantastisch verhaal. Fantastisch geschreven.
Prachtig.....ik heb genoten