Martijn

Informatie
Geschreven door Marius
Geplaatst op 05 augustus 2020
Hoofdcategorie Homo | Lesbisch | Bi
Aantal reacties: 1
966 woorden | Leestijd 5 minuten

Men zegt wel eens dat mensen die de schoonheid in de schoot geworpen hebben gekregen een verziekt karakter hebben en dat van de mens, wiens uiterlijk misvormt is, het hart dan wel van goud moet zijn. Martijn was het ademende bewijs dat deze mensen maar wat zeggen.

Ondanks zijn brede voorhoofd, zijn flaporen, zijn blauwbleke vissenogen, zijn dopneus en zijn gedrongen brede bouw – waardoor hij leek op een hulkachtig wezen bekleed met mensenhuid - had Martijn een buitengewoon onaangenaam karakter. Giftig zelfs, alsof er in hem een monster leefde dat gevoed wilde worden. Gevoed met leed, met schaamte, met angst en verdriet. Ook mij spaarde hij niet. Hij was de eerste die het zei, de eerste die het hardop zei. Het was tijdens gymles en het klonk als een vonnis.
‘Je loopt als een meisje’, riep hij me na, duidelijk zodat iedereen het kon horen.
Die woorden kwamen hard en onverwacht, ze raakten me als een zweepslag in mijn rug. De lucht werd even uit me geslagen. Ik durfde niet om te kijken, ik durfde hem niet aan te vliegen, ik durfde niet eens te bewegen. Ik stond daar als met de koude vloer vergroeid terwijl iedereen lachte. Mijn lot was bezegeld.

Na dat moment bleven de pesterijen komen, niet zozeer van hem maar wel van anderen. Ik negeerde hem zoveel mogelijk uit angst dat hij weer als een schorpioen zou toeslaan. Op het kanokamp kwamen wij weer, gedwongen dit keer, in elkaars nabijheid. Waarom ik toen aan hem werd gekoppeld - en wij als twee gevangenen in een kano moesten voort zwoegen en samen in een tent moesten slapen - weet ik niet. Maar zo kwam het dat wij, dodelijk vermoeid na een dag roeien over stugge Friese plassen, chagrijnig naast elkaar insliepen.

Hij kwam tot me in een droom, een droom die meer een visioen was. Ik was weer in de gymzaal, we speelden een partijtje voetbal. We botsen in die droom, buik tegen buik, huid tegen huid, navel tegen navel. We botsten niet hard, maar zacht en traag, alsof hij een warm moeras was waar ik langzaam in wegzakte. In een zwoele waas werd ik wakker, het was nog donker. Naast mij voelde ik hem woelen, ik durfde niet naar hem te kijken. Plots was hij er, half tegen me aan, wat onhandig, alsof ook hij die droom had gehad en we nog niet helemaal wakker waren. En daar in een wereld tussen waken en slapen ontmoetten we elkaar alsof we vreemden waren en ineens alles mogelijk was.

Hij legde zijn vinger op mijn lippen, ik kon niet anders dan zwijgen. Toen klom hij op me, zwaar en verstikkend, zijn heupen prikten in mijn buik. Een koepeltent heeft slechts muren van textiel en buiten waren vele vijandige oren, dus ik protesteerde slechts gesmoord. Ik wilde hem wegduwen maar hij hield me behendig in bedwang. Hij was ineens heel dichtbij, warme adem golfde over mijn gezicht, hij rook naar muntdrop. Zijn warmte gloeide door het dunne textiel van zijn T-shirt door dat van de mijne, ik voelde de hardheid van zijn buik. Mijn adem stokte van die warmte, die huid tegen huidwarmte, dat gevoel dat hij me zo dicht mogelijk genaderd was maar eigenlijk verder wilde. Langzaam, nauwelijks merkbaar duwde hij zijn heupen naar voren en gleed met zijn kruis over het mijne. Ik wilde iets zeggen maar zweeg. Mijn ogen zochten de zijne, vragend, maar ik kon hem niet meer vinden. Zijn ogen waren glazig, zijn flaporen vuurrood en zijn mond hing open van stille verrukking. Hij keek op me neer alsof ik er niet was terwijl zijn heupen onwillekeurige uitvallen bleven maken, alsof ze een eigen leven leidden.

Een zweterige hand duwde de rand van mijn T-shirt op tot onder mijn kin en ineens was ik naakt, naakter dan ik ooit geweest was.

Zijn hand zocht in het donker de mijne en vond hem.
‘Je hebt meidenvingers’, zei hij zachtjes giechelend.
‘Kom, pak hem maar vast’, vervolgde hij ademloos en bracht mijn hand naar de plek waar alleen mijn broeierige gedachten geweest waren. Voorzichtig raakten mijn vingertoppen, onzeker als voelsprieten van een slak zijn hardheid aan en ik stierf bijna van opwinding.
‘Toe maar, doe het maar’, fluisterde Martijn ongeduldig en mijn hand omsloot hem daar waar hij hard was en krom als een angel.

Daar in die tent op het kanokamp deed ik voor het eerst bij een andere jongen wat ik al zo vaak bij mezelf had gedaan. Nooit had ik gedacht dat ik Martijn deze gunst zou verlenen, maar het gebeurde en hij jankte zachtjes van genot. Een ander bevredigen is iets heel anders dan jezelf bevredigen al zijn de handelingen identiek. Ik moest afgaan op zijn goedkeurend kreunen en af en toe een verstikte aanmoediging. Zijn spanning groeide tussen mijn vingers, ik kneep hem zachtjes en sjorde teder. Langzaamaan vond ik zijn ritme en bespeelde hem krachtiger.

Plots regende het hete tranen op mijn buik. Eerder dan ik verwacht had en eerder dan ik had gehoopt. Onder zacht gejammer trok hij lange kleverige sporen over mijn blote huid. Toen was het stil. Ik wilde wat zeggen, ik wilde dat hij wat zou zeggen, maar er gebeurde niets. Haastig ritste hij mijn slaapzak weer dicht alsof hij alles wat daarnet gebeurd was met een haal wilde wegwissen. Hij schaamde zich, het was nog niet eens licht en hij schaamde zich al.

De schaduw van de volgende dag was al over ons heen gevallen. Ik lag nog lang wakker, bespat met zijn begeerte, luisterend naar razende krekels en denkend aan hem. 

De volgende morgen was hij weer wie hij was en ik weer wie ik was. We dreven weer uit elkaar. Zijn sporen lagen nog verdroogd op mijn huid als het slijk van een slak die al lang verdwenen was.

 

 

Alle verhalen van: Marius

Fijn verhaal 
0

Reacties  

Triest verhaal, eigenlijk. Maar wel goed opgeschreven.