Gevoel van geborgenheid

Informatie
Geschreven door Miel
Geplaatst op 20 mei 2019
Hoofdcategorie Korte verhalen
Aantal reacties: 1
597 woorden | Leestijd 3 minuten

Naast me ligt ze, haar handen onder haar hoofd, mijn neus zoekt haar oksel. De weldadige mensengeur bedwelmt me, brengt herinneringen terug. Herinneringen aan die keren dat ik bij mijn nichtje in bed mocht slapen. Of was het mijn tante? Ik weet het niet meer maar de geur die ik ruik is de geur van toén, de geur van gebor­genheid, warmte, koestering. Dat nicht­je was een jonge vrouw, eigenlijk nog een kind, veertien of vijftien denk ik. En ik zelf, ik was hooguit twee jaren ouder.

Altijd als ik die geur gewaar wordt weet ik me geborgen, klein, maar veilig.

En ook nu omhult mij dat gevoel van gebor­genheid. Ze vindt het goed zo, ik houd me stil, ze geniet van de rust die ons omringt. Als ik diep snuif en de sterke geur in mijn neus en longen dringt ontwaakt plotseling mijn passie. De geur windt me op, mijn hart klopt sneller en hefti­ger, nog heb ik tijd om na te denken, “Zou het verband houden met vroegere ervarin­gen?” Ik weet het niet, mijn herin­nering laat me in de steek. Wel weet ik dat de keren, of was het maar één keer?, dat ik haar bed moest delen mij bij zijn gebleven. Van de ontelbare malen dat ik bij mijn ouders in bed geslapen moet hebben kan ik mij niet één keer meer voor de geest halen.

Vreemd nietwaar? Of niet?

Als ik mijn neus heen en weer wrijf in haar oksel reageert ze; “Je maakt me héét, weet je dat?” zegt ze zacht en ik voel haar vrije arm naar beneden glijden. Ze kan er niet bij en streelt daarom mijn borst.

Mijn hand ligt rustig op haar borst, geen speelse massage, geen geraffineerde druk, mijn stil liggende hand doet de tepel rij­zen. Ik snuf­fel tussen de lange zijde­achtige haren in haar oksel en snuif de lichte transpiratie­geur op. Dát met haar tepel in de palm van mijn hand is vol­doende. Ze strekt haar arm en pakt me. Zonder moeite rol ik op haar en gelijktijdig spreiden haar benen zich.

Scheer nooit je oksels fluister ik in haar oor. Ik voel hoe ze lacht en haar greep verstevigt rond mijn heupen.

“Kóm, zeggen haar handen. “Kóm, zeggen haar dijen, ik probeer me te verbergen, maar nooit ben ik klein genoeg, nooit bereik ik wat me lokt, nooit ben ik diep, diep, diep waar koesterende zinderende hitte wacht.

Altijd moet ik proberen vérder, dieper te komen en nooit zal ik 't bereiken. Want die behoefte naar het onbereikbare is een symbolische behoefte. En hoe diep ik ook in haar kom, hoe ver ik ook tracht te reiken vechtend, stotend, trekkend, kronke­lend, nooit heb ik 't gevoel “Nu ben ik er, hier is 't.”

Altijd overvalt me een gevoel van “Vooruit dan maar, dan maar van een afstand”, en altijd is 't een wanhoopsdaad, schiet!, schiet maar, en dan werp ik de speer terwijl ik weet dat het doel onbereikbaar is.

Ook nu probeer ik dieper te komen dan mijn lichaam reikt; laat gáán, schiet!
“NUUU!” kreunt ze kronkelend onder me. En dan, als aangeschoten, spant ze sidderend haar spieren, kramp­achtig poogt ze haar eigen li­chaam met mijn lans te doorboren. Ik ben haar wapen, haar kris poussaka, kreunend laat ze weten dat mijn worp doel heeft getroffen.

Haar doel was mijn doel, de nacht omhult ons, langzaam glijden we naar de stille diepte waar warmte noch koude heerst, 't is volbracht.

 

Alle verhalen van: Miellenium

Fijn verhaal 
+5

Reacties  

Jeetje. Even op adem komen. “De stille diepte waar koude noch warmte heerst.” Waar dat ook moge zijn, ik wil er komen. Wederom is hier de kunst getoond van het klein schrijven.