1554 woorden | Leestijd 8 minuten

Toen ik de snelweg naderde, dacht ik enkel aan mijn wilsverklaring en schriftelijke testament. Dat is niet iets waar ik gewoonlijk over nadenk; ik ben niet ongeneeslijk ziek of buitengewoon gefixeerd op doodgaan, hoewel rijden op de snelweg gevaarlijk kan zijn. Maar vandaag moest ik me er wel mee bezighouden, want ik was op weg naar het kantoor van mijn advocaat om het hele zaakje eens fatsoenlijk te regelen.

Maar goed, ik houd van rijden en ik houd van auto's en ik houd vooral van trucks, dus rijden is voor mij eerder een genot dan een ergernis, en meestal vind ik het wel aardig van hier naar daar te komen in mijn CP Golden Eagle jeep met vierwielaandrijving en verlengde wielbasis. Mijn jeep herken je aan de adelaar die zijn vleugels uitslaat op de motorkap én aan zijn acht cilinders, waarmee hij meer acceleratievermogen heeft bij het beklimmen van een heuvel dan de doorsnee auto op de weg. Eigenlijk kun je gerust stellen dat ik houd van mijn jeep en dat we het prima met elkaar kunnen vinden, vrouw en auto. Niet dat ik overdreven op mijn auto gesteld ben, dat geloof ik niet, hoewel ik hem nu en dan misschien een beetje vermenselijk. Laten we het erop houden dat ik zeer innige gevoelens voor hem koester.

Hoe dan ook, ik reed de snelweg op en dacht aan mijn erfgenamen en aan hoe ze zouden reageren als ze na mijn overlijden stukjes van mijn leven in ontvangst zouden nemen en wat mijn advocaat zou denken van mijn vrijgevigheid en hartelijkheid, toen een truck met oplegger opzij van mijn jeep kwam en in plaats van te passeren zij aan zij met me bleef oprijden, in mijn eigen tempo.

Het was een truck met achttien wielen, glanzend verchroomde deuren, een pikzwarte motorkap, verchroomde bumper, het lange, lange, lange onderstel van een dieplader die helemaal niet was verroest (een bijzonderheid voor een oplegger), enorme banden (ze kwamen stuk voor stuk ter hoogte van mijn buitenspiegel) en een rood met goud embleempje op de deur. Afgezien van de naam Jan Drieven bestond dat uit een plaatje van twee rode, naar elkaar toe gekeerde kardinaalvogels.
Ik bedacht dat Jan, de kennelijke eigenaar en chauffeur van deze truck, misschien aan vogelvervoer deed of anders iets had met kardinaalvogels. Hoe het ook zat, Jans truck mocht er wezen. Let wel, als ik naar Jan Drievens truck keek, zag ik alleen maar zijn truck en niet Jan zelf, en ik vroeg me af of hij mij wel had gezien. Want waarom zouden we nu anders zij aan zij het hellende wegdek beklimmen en nek aan nek de snelheidslimiet overschrijden? Het kon natuurlijk zijn dat hij van vergulde adelaars hield, maar ik had eerder het idee dat Jan me had gezien op het moment dat ik de snelweg op kwam.

Ik zie er eerlijk gezegd behoorlijk opwindend uit achter het stuur, en truckers hebben iets met lang, wapperend, blond haar. En aangezien Jan die heuvel lang niet zo snel kon beklimmen als ik, net zomin als een schildpad harder kan lopen dan een gazelle, ging ik een pietsje langzamer rijden. Ik dacht liever aan trucks en aan een flinke kerel achter het stuur dan aan de dood, dus bleef ik naast dat bakbeest hangen terwijl we zij aan zij die helling opreden.
Ik had er lol in. Ik mocht die Jan Drieven wel, stelde me voor hoe hij eruitzag: donkere huid, langwerpig gezicht, schorre stem, zwaargebouwd en enorme armen, spieren die zich spanden tegen zijn vuile witte T-shirt. Ik begon in mezelf te zingen: Jan, o Jan, mijn type man. En niemand die 't doet als hij het niet kan...'

Boven aan de heuvel maakte Jan zich van me los en schoot naar voren, de helling af. Ik realiseerde me dat je een spelletje samen moet spelen, en dus ging ik van de meest rechtse naar de meest linkse rijstrook (Jan zat op de middelste) en reed hem voorbij met een snelheid van honderddertig kilometer per uur, zonder zelfs maar over mijn schouder te kijken om te zien hoe die trucker eruitzag.
`Jan, o Jan, mijn type man. En niemand die 't...' Iedereen die de moeite neemt er acht op te slaan, weet al snel welke taal er op de weg wordt gesproken, en dan heb ik het dus niet over die praatjes op de CB-band, maar over de echte manoeuvres op de weg. Dus verhoogde ook de truck zijn snelheid en opnieuw reden we zij aan zij, maar nu met honderddertig kilometer per uur.

Het valt niet mee een jeep onder controle te houden bij een dergelijke snelheid, en tegelijkertijd naast je te kijken naar wat zich daar aan je opdringt, maar ik deed het toch maar, ervan uitgaande dat mensen niet doodgaan als ze op weg zijn om hun testament op te maken. Die kerel, de trucker Jan Drieven, zag er echt geweldig uit. Beter dan de meesten - en ik heb er met heel wat gestoeid.
Drieven had sluik zwart haar, zijn gezicht was bruinverbrand en langwerpig in plaats van rond zoals bij veel truckers, en zijn T-shirt was helemaal geen T-shirt. Drieven droeg een blauwgeruit overhemd met lange mouwen, die hij had opgerold tot boven zijn elleboog. Aan de omvang van zijn onderarm zag ik dat hij stevige armen moest hebben. Die onderarmen van Jan Drieven, daar viel ik voor: stevig, gespierd, beschermend en gevaarlijk tegelijkertijd.

Terwijl ik naar hem keek, moet hij ook naar mij hebben gekeken want vanonder die zwarte motorkap kwam een luide, lage, resonerende claxonstoot; Jan stak de loftrompet, om het zo maar eens te zeggen. Het zou niet juist zijn voor een dame om terug te toeteren, en dus glimlachte ik maar een beetje en voerde de snelheid nog wat verder op. Maar Jan liet zich niet op stang jagen. Hij bleef achter en wachtte gewoon tot ik weer zou terugvallen. Dat deed ik, want kwijtraken wilde ik hem niet, waarop hij nog langzamer ging rijden. Opnieuw paste ik me aan. Ik raakte meer en meer in vervoering vanwege zijn verbeeldingskracht op de weg.

Onze snelheid was bijna legaal toen het tot me doordrong dat Jan zijn richtingaanwijzer uit had. Hij ging de weg af bij de volgende afslag, die leidde naar de Moerdijk brug. Ik was niet van plan hem kwijt te raken en zijn route zou me toch wel brengen naar waar ik wezen wilde; de weg was langer, maar ongetwijfeld beter.
Jan gleed als eerste de uitvoegstrook op. Hij wist maar al te goed dat ik hem volgde, en we reden door in de richting van de brug. Ik zag hem in zijn buitenspiegel kijken naar waar ik was en hij leek tevreden te zijn. Toen we de brug naderden, verbreedde de weg zich tot vier banen (voor beide richtingen twee). Ik begreep wat hij wilde en kwam naast de kreunende truck rijden, zodat we samen de brug op stoven die zich over het Hollands Diep heen werkt.

Zonder elkaar nog te hoeven aankijken, overheersten we zij aan zij de hele brug; er was niemand die ons zou kunnen passeren. Het was niet zozeer dat we erop uit waren ons de weg toe te eigenen, maar we konden op deze heldere ochtend eenvoudig niet zoveel aandacht opbrengen voor de verlangens van anderen. Toen we de eerste piek hadden bereikt, reed Jan iets voor me uit, niet meer dan een neuslengte, en ik nam aan dat hij van me verwachtte dat ik daar op een of andere manier op zou reageren, niet noodzakerlijkerwijs door hetzelfde te doen, maar toch. Ik koos ervoor mijn snelheid iets in te houden en hem voorop te laten gaan, terwijl we voortraasden over de stijgende en dalende weg over het water.
Onder aan de helling seinde Jan twee keer met zijn remlichten om aan te geven dat mijn tijd gekomen was. Ik begreep de hint en schoot naar voren, waarbij ik hem passeerde en vlak voor zijn bumper zijn baan op schoof. Ik had de leiding van deze man overgenomen en daar leek hij ook plezier in te hebben. Getweeën reden we zo verder de brug over, hij op mijn hielen, allebei in een redelijk hoog tempo, maar wel zo dat er goed te sturen viel. De brug leek zich tot in het oneindige voor ons uit te strekken, terwijl we samen speelden op de weg.

Het zou belachelijk zijn om nu te ontkennen dat we de liefde bedreven, want we realiseerden ons allebei dat dat het geval was en we leken er geen genoeg van te krijgen. Maar toen we de volle lengte van de brug achter ons hadden gelaten en het einde van de overspanning naderden, trad een lichte vermoeidheid in, alsof we langzamerhand uitgeput raakten. Uitputting, onderweg, is niet echt een vervelend gevoel; het is zelfs tamelijk aangenaam, vredig en zachtaardig. Het gaat gepaard met gebrom in plaats van gebrul. Nu de brug tot ons verleden behoorde, voelden de trucker en ik ons met elkaar verbonden: we hadden dit samen doorstaan. En toen we het stoplicht aan het einde van de brug naderden - hij reed weer naast me, het licht stond op rood - kwamen we tot stilstand.
Ik keek opzij naar Jan Drieven en hij keek naar mij. De trucker knipoogde en ik glimlachte.

Alle werken van: Een schrijfster

Fijn verhaal 
0