Café au lait

Informatie
Geschreven door Miel
Geplaatst op 17 oktober 2017
Hoofdcategorie Leeftijdsverschil | Tieners
Aantal reacties: 3
5071 woorden | Leestijd 26 minuten

Hemelvaartdag

De zon schijnt af en toe. Iedereen heeft vrij vanwege een gebeurtenis waar niemand in gelooft. Leuk toch? Dit is een van die dagen waarop ik herinnerd word aan die prachtige duidelijke, niets aan twijfel overlatende uitdrukkingen van onze vroegere Chinese bemanningsleden. Hemelvaartdag, hoe leg je uit aan een niet christen wat dat betekent? De Chinese hoofdmonteur bij ons aan boord noemde het 'Jesus fly up day.' Nooit vergeten. Zulke bloemrijke uitdrukkingen komt een mens niet zo vaak tegen. Het Engelse 'assunction day' haalt er niet bij. Hoe het in het Duits heet weet ik niet, laat staan in het Frans.

Het leven kabbelt voort en waarom ook niet? Het enige dat ons is gegeven, is wachten. Wachten waarop? Of houden de laatste jaren een opdracht voor ons in? Je hoort wel eens van mensen die op latere leeftijd plotseling de geest krijgen en iets gaan doen waarvan ze de wereld versteld doen staan. Gauguin was een gefortuneerd zakenman met een groot vermogen en veel bezittingen maar gaf dat alles op om te gaan schilderen in Tahiti.

Nou weet ik wel, het opgeven van je huidige bestaan is een hele opgave maar om het in te wisselen voor een leven onder de zon met dagelijks gezelschap van vriendelijke bruine mensen lijkt me niet zo’n grote opoffering. Zeker niet wanneer de omringende bevolking voor een deel bestaat uit lieftallige vrouwen met een geurig wit bloempje achter het oor.

Ik haal voor het gemak maar even aan wat ik zie op de schilderijen van Gauguin. Donkere vrouwen, met lang haar en soms met een sneeuwwit, soms een scharlakenrood  bloempje achter het oor. Dat bloemetje zat daar alleen vóór, niet ná het schilderen van dat portret, als je begrijpt wat ik bedoel. Vrouwen zijn mooi met een bloem achter het oor maar mooier nog wanneer ze lang en heftig bemind worden.

Het is toch waar? Een vrouw die opgepoetst, gestreeld en in alle standen genomen is, op elke denkbare manier genaaid, en uitgeput van genot op het punt staat in slaap te vallen, zo een vrouw straalt! Straalt als een ster, als de maan, als de zon!

Haar lichaam gloeit, haar tieten zijn hard en gevuld, de schaamlippen gezwollen en kleverig. Het schaamhaar in slordige toefjes, glanzend alsof ze met gel zijn opgemaakt. Haar wangen rood, de lippen vol en stevig, een beetje geopend en de adem geurig en alle spieren helemaal ontspannen. Eigenlijk zijn ze dan pas in de stemming om het allemaal nog eens dunnetjes over te doen.

Maar, de meeste mannen merken dat niet. Zaad verschoten, lust naar de kloten. “Was het goed? Je bent lief” En dan in slaap vallen want: ”Morgen moet ik weer aan het werk”.

Niet Gauguin, die schilderde gewillige vrouwen die zich geëerd voelden wanneer ze het zaad van deze 'belangrijke' man in zich droegen. En hun mannen waren trots dat hun vrouw werd uitverkoren. Misschien een tip voor onze verwrongen maatschappij; mannen, wees trots wanneer jouw vrouw begeerd wordt door andere, invloedrijke mannen. Zoiets als, vol trots kunnen vertellen: “Mijn vrouw is wel eens met een minister naar bed geweest.” Of met een Secretaris Generaal, van welke organisatie dan ook. Of met een kardinaal. Ja, dat zou een heel andere maatschappij zijn.

Als ik naar de gezichten van Gauguin's naakten kijk dan moet het wel heerlijk zijn geweest om te worden geschilderd door Monsieur Gauguin. De prachtige huidskleur van mensen in de zonnige landen is iets waarop ik altijd een beetje afgunstig ben geweest. En zelfs de derdegraadsverbrandingen die onze eigen Hollandse vrouwen zich getroosten om 'mooi' te zijn, haalt het niet bij het natuurlijk mokkabruin van mensen die in de tropen wonen. Niet dat ik snel verbrand in de zon, maar zelfs aan het einde van de zomer lijkt mijn kleur nog niet op de huidstint van mensen die hun leven lang in de zon leven.

Ook lang geleden, toen ik jong en onbevreesd over de zeven zeeën zwierf, had ik al een voorkeur voor de gekleurde mens. Ik vond ze gewoon mooi om te zien. En ooit, lang geleden, ik wil er niet eens aan denken hoeveel jaren inmiddels verstreken zijn, genoot ik enige dagen en nachten het gezelschap van een Vietnamese in Saigon.

De stad Saigon werd jaren geleden, na de 'bevrijding' door onze Amerikaanse vrienden, omgedoopt en draagt nu een van die afschuwelijke communistische namen. Maar vanwege de romantiek houd ik de oude naam aan. Vietnamese mensen in hun eigen land zijn mooi om te zien, de vrouwen lieftallig en begerenswaardig. Een van die bevallige schoonheden zag er geen been in om enige nachten met mij door te brengen.

John Steinbeck schreef in 1939 zijn roman 'The ugly American' onder andere over een relatie met een jonge Vietnamese. Mijn affaire vond twintig jaar later plaats maar de jonge vrouwen waren nog net zo mooi. En net zoals hij beschreef: “Mijn hand rustte waar hij elke nacht rustte, tussen haar benen.” Zo rustte mijn hand enige nachten tussen de benen van Nguen Di Dung.

Na al die jaren herinner ik me nog haar naam en dat wil wat zeggen want in namen ben ik geen ster. Vele bevallige en minder bevallige vrouwen heb ik na haar verpozing in mijn bed gevonden. Nguen Di Dung, haar naam ben nooit vergeten.

Ook háár huid bezat die prachtige teint die wij Europeanen nooit zullen bezitten. Toen ik de huid op haar arm streelde en haar, kort na onze kennismaking, een complimentje maakte over de mooie teint zei ze in prachtig Vietnamees Frans; “Mes amies m’appelent: café au lait.”
En terecht, haar huid had inderdaad de kleur van sterke koffie met een scheutje melk. Klaarblijkelijk was haar teint, zelf voor mensen in Saigon iets aparts of in ieder geval de moeite waard om te beschrijven.

Ze was zakelijk en lief tegen mij, een eigenschap die je niet zou verwachten onder meisjes in haar beroep. Ik was, als negentienjarige snuiter, hopeloos verliefd op haar. Nguen di Dung bleef, de dagen dat we langs de kade lagen, aan boord en verzorgde ongevraagd mijn kleding en het aanzien van mijn kleine hut. Als een vrijwillige huishoudster maakte ze schoon en ruimde op. Waarom weet ik niet, misschien zat dat in haar aard. Net zoals het zorgen voor mijn eten, wat helemaal niet nodig was omdat ik net als de anderen aan boord in de messroom at. Maar Nguen vond het nodig om sinasappels en pompelmoenen voor me schoon te maken en regelmatig naar de parlevinkers beneden aan de gangway te lopen om kommetjes soep of noedels voor me te halen. Ze wilde voor me zorgen. Onwaarschijnlijk? Ongelooflijk? Het zat waarschijnlijk in haar aard en ik was de gelukkige die op die dagen kon profiteren van haar zorgzaamheid.

Wij hadden elkaar ontmoet aan dek, in de drukte, tussen talloze hard werkende mannen die druk heen en weer liepen en bezig waren de drieduizend ton rijst in de ruimen te laden. Ze liep daar schijnbaar doelloos rond zoals veel mensen die iets wilde verkopen of de een of andere onduidelijk functie bij het laden vervulden.

Ik hield haar in het oog en merkte dat haar blik af en toe in mijn richting dwaalde. Zoiets merk je ook, al is er niet direct oogcontact. Het zijn de subtiele signalen die door bewegingen of gelaatsuitdrukkingen heen en weer worden geseind. Ze zag er niet zo uit als de andere 'meisjes'. Ze had iets waardigs zonder dat ze daar moeite voor hoefde te doen. En kennelijk merkte ze mijn belangstellende blikken op, zoals ik haar bevallige uitstraling opmerkte. Een enkele keer ontmoeten twee mensen elkaar op de meest onwaarschijnlijke plaats en dan blijkt zo’n ontmoeting er een te zijn die kennelijk vantevoren beraamd was.

Ik nam haar van een afstand op. Klein, slank, levendig en zeer bewust van de indruk die zij op mij maakte bewoog zij zich, naar het scheen, uitsluitend om de schoonheid van haar gestalte te benadrukken. Ze liep op rood-witte sandaaltjes met een hakje dat haar een paar centimeter langer maakte. Ze liep bevallig, draaide met haar popo en keek daarbij of ze de koningin van Sheba was. Haar ravenzwarte haar reikte tot over haar schouders en was krullerig zonder gekroesd te zijn. De paar mannen die haar aanspraken wimpelde ze af maar toen ze dichter bij mij in de buurt drentelde en ik mijn binnensmonds geoefende 'Bon jour' aan haar richtte, beantwoordde ze het met eenzelfde 'Bon jour' en een brede glimlach die een mondje met regelmatige gezonde tandjes liet zien. Het contact was gelegd. Ik voelde me opgelucht, het hoge woord was eruit en de kans dat ze zonder mij op te merken weer van boord zou gaan, een klein beetje minder geworden.

Ze sprak een paar woordjes Engels en goed Frans en hoewel ik op school voor dat vak altijd slechte cijfers haalde, viel het mij niet moeilijk om met haar een eenvoudig gesprekje aan te knopen. De praktijk is namelijk op elk gebied mijn beste leermeester geweest. Dat mijn Frans in de daarop volgende dagen snel verbeterde was begrijpelijk. Het oude gezegde 'een vreemde taal leer je het beste in bed' was daar debet aan. Maar ik loop op de gebeurtenissen vooruit. Leunend over de verschansing kletsten we, zij aan zij, over onbelangrijke zaken. Ik was in de wolken, naast mij een vrouw met een uiterlijk dat voor mij het summum van schoonheid was.

Nadat ik zo ongeveer alles wat ik aan Franse woorden kende had gespuid en ze geduldig naar mijn gestuntel had geluisterd, slaagde ik er in haar duidelijk te maken dat ik haar wilde uitnodigen om in mijn hut iets te drinken. Ze ging er op een bijna vorstelijke manier op in.
Ze wilde wel van mijn uitnodiging gebruik maken, zei ze gemaakt hooghartig. Maar ze dronk geen alcohol, voegde ze er aan toe. Al had ze uitsluitend zeewater willen drinken dan was ik met liefde naar het strand gelopen om het voor haar te halen. We dronken elk een glaasje sap en praatten opnieuw over niets en van alles. Zij over haar dochter van veertien die bij oma woonde en ik over mijn broers en zusjes in Nederland en de vele jaren die ik toen al van huis was.

Naarmate de tijd vorderde voelde ik me, onder druk van mijn eigen begeerte, gedwongen om het hoge woord te uiten. Het probleem was dat ik niet wist hoe ik dat moest aanpakken, laat staan hoe ik het onder Franse woorden moest brengen. Ze was geduldig maar hielp me niet en gedroeg zich voorbeeldig, als een welopgevoed schoolmeisje. Ik was ervan overtuigd dat ze wist wat ik wilde maar kennelijk dacht ze dat een voorzet van mijn kant haar meer zou opleveren dan een van haar zijde.

Toen ik dan na lang aarzelen, mij een weinig voorover boog met de bedoeling om haar in mijn beste school Frans duidelijk te maken waarmee ze mij erg gelukkig kon maken, wachtte ze beleefd. Ik wilde het wel zeggen maar er kwam niets uit mijn mond. Ik schraapte voor de zoveelste keer mijn keel en haalde diep adem. Op dat moment zei ze, met een toon van aanmoediging in haar stem: “Oui...?”

Het was net voldoende om me over de streep te trekken.
“Voulez vous dormir avec moi?”
“Mais naturellement,” antwoordde ze met zachte stem. En voegde eraan toe: “Toute suite?”
Dat begreep ik niet maar even later werd me duidelijk dat ze bedoelde of we mijn wens onmiddellijk in vervulling zouden doen gaan. Mijn hart klopte vervaarlijk en toen ik bevestigend knikte stond ze bevallig op en draaide de zware teakhouten deur van mijn hut op slot.

Nguen Di Dung droeg, zoals de meeste jonge vrouwen in Vietnam, een lange zwarte zijden broek. Daarover heen, een lang wit gewaad dat nog het meeste leek op een strakke blouse met aan de voor- en achterzijde lange witte panden die tot op de knieën reikten. Tegen de zon, die daar ongenadig kan branden, droeg ze een ronde puntige strohoed. Het geheel onderstreepte de bevalligheid van haar figuurtje. En ondanks de wijde wuivende kledij viel het niet moeilijk om vast te stellen dat ze kleine maar stevige borsten had. Ik had al vaak met plezier gekeken naar die sierlijke klederdracht en me nooit, zelfs niet in mijn stoutste dromen, kunnen voorstellen dat een van die mooie vrouwen zich in mijn bijzijn van die prachtige kleding zou ontdoen.

Ik zat in de enige stoel die mijn hut rijk was en keek toe met ogen die bijna uit mijn hoofd rolden. Rustig en beheerst maakte Nguen de kleine katoenen knoopjes los waarmee haar witte overgooier aan de zijkant was gesloten. Het witte gewaad gleed geluidloos van haar slanke lichaam. Ze legde de overgooier netjes op de bank met de donkergroene kunstlederen bekleding.

Ze keek me aan. Een kleine bh omvatte haar stevige borsten en haar onderlichaam was verborgen in de lange zwartzijden broek. Mijn handen beefden. Roerloos zat ik in mijn stoel en keek toe. Na een korte aarzeling reikte ze met haar handen achter haar rug en maakte de bh los. Ze bracht de schouders bij elkaar en liet de witte katoenen bandjes van haar schouders glijden. Ze ving het overbodige kledingstukje op en legde het op haar overgooier.

Toen ze haar armen naar me uit strekte stond ik op uit mijn stoel. Het volgende moment gleden haar armen om mijn hals en onderging ik voor het eerst het genot van een vrouwenlichaam tegen mijn borst. Een vrouw in mijn armen, een naakte vrouw in mijn armen. Nee, een halfnaakte vrouw in mijn armen. De metamorfose van geklede naar ontklede vrouw was nieuw en opwindend.

Ik wilde haar kussen maar ze wendde haar gezicht af zodat ik mijn lippen in haar hals drukte.
“Niet kussen,” maakte ze duidelijk en toen ze mijn verbaasde blik ontdekte zei ze met een zweem van verontschuldiging in haar stem: “Ik wil niet van je houden.”

Terwijl ik haar in mijn armen hield begon ze de knopen van mijn dikke katoenen uniformoverhemd los te maken. Ze plukte het kledingstuk uit mijn broekband en drukte haar gezicht tegen mijn ontblote borst. Ik onderging het genot van dit intieme samenzijn terwijl boven mijn hoofd klossende voetstappen en kreunende lieren de balen rijst aan boord sleepten. Door de gang, waaraan mijn hut lag, slofte een van mijn maten op weg naar zijn hut of naar buiten. In mijn hut was het warm, meer dan dertig graden. Het gelakte teakhouten jaloezie-luikje voor de patrijspoort had ik gesloten om ongewenste ogen buiten te houden. Maar de drukte en de stemmen van talloze mensen die Vietnamees spraken, vormden een luisterrijke omlijsting van onze monosyllabische conversatie.

Mijn handen gleden onweerstaanbaar naar de sluiting van haar zwarte zijden broek en zochten vruchteloos naar een of andere sluiting. Ze bemerkte mijn wanhopig gepruts en schoot mij te hulp. Met een eenvoudige beweging maakte ze de paar knoopjes aan de zijkant van haar zwarte zijden pantalonnetje los en stapte er, met een handje op de rand van mijn kooi steunend, uit en pakte de kleding op. Met alleen nog een klein wit broekje met kanten pijpjes om haar Indofranse popo stond ze voor me. Daarop begon ze mijn eigen overgebleven kleding los te maken.

Haastig maakte ik haar handeling af en liet mijn kleding van mijn lijf vallen. Nguen pakte elk kledingstuk netjes op en legde het over de enige stoel in mijn hut. Zo naakt als Adam stond ik voor haar, en voor mij stond een deel van mij stram in de houding, die noodzakelijk geacht werd voor de komende handelingen. Met beheerste geroutineerde bewegingen streelde ze mijn stijve en drukte haar buik er tegen.
“C‘est bon, oui ?”
Ik sloeg mijn armen om haar kleine kontje en tilde haar op bed. Ze bleef rustig op de groenwitte katoenen sprei liggen die ik in de tropen als dek gebruikte. En omdat ik naast haar op bed kwam liggen schoof ze een klein eindje op.

Veel ruimte was er niet, want de koopvaardij investeerde in die jaren nog niet in ruime kooien voor het varende personeel. Maar omdat ze erg slank was en ikzelf ook niet bepaald vet, was er voldoende plaats om naast haar te liggen en de wonderen van een bereidwillige vrouw aan mijn zijde in ogenschouw te nemen.

Haar hoofd rustte op mijn arm zodat ik haar gezicht kon bekijken. Fijn getekend, waarschijnlijk half Frans en half Vietnamees. De huid, zoals ik al beschreef, gaaf en wonderlijk van tint. Haar ogen donker. Heel donker. Zelfs in het wit van haar ogen was een weinig bruin te zien. Vreemde ogen voor een Hollandse jongen, maar mooie ogen. Haar neus was smal en had niet de gebruikelijke wipneus die veel Indo-Chinese vrouwen hebben. Aan de rechterzijde, op haar kin, zat een klein moedervlekje en toen ik dat aanraakte lachte ze. Die lach vormde twee kuiltjes in haar wangen.

We lagen elkaar te bekijken en toen ik haar vroeg hoe oud ze was, antwoordde ze: “Niet zo oud. En hoe oud ben jij?”
“Dixneuf.” Negentien, antwoordde ik.

Haar mond was mooi, vol en zacht en als ze sprak schitterden de regelmatig gevormde witte tanden achter haar lippen.
“Ik wil je kussen,” zei ik.
“Vooruit dan maar, een keertje kan wel.”
Mijn hand rustte op een kleine stevige borst met donkere tepelhoven en een kleine tepel die op een van die kleine donkere moerbeien leek, die aan de wal te koop waren. Ze lag bewegingloos en liet mij in alle rust genieten van de tere aanraking.

“Hoe heet je?” fluisterde ik, overmand door de indruk die haar schoonheid op me maakte. En toen noemde ze haar naam, Nguen Di Dung. Ze hielp me die op de juiste manier uit te spreken. Lange tijd lagen we zo te praten terwijl ik met diepe teugen genoot van de schoonheid van haar lichaam. Al die tijd streelde ze met zachte tedere gebaren mijn stijve en krabde zacht aan mijn zak.
“Hoe oud ben je nou?” wilde ik weten omdat ik haar leeftijd niet kon inschatten.
Ze leek zo jong. Ze legde een arm om mijn hals en drukte haar lippen aan mijn oor.
“Ik ben veertig.”

Net zo oud als mijn moeder toen ik Holland verliet wilde ik zeggen, maar ik bedacht me. Haar woorden kwamen zacht, als op de wind gedragen. Het zei me niet veel, ze had net zo goed tachtig kunnen zeggen. In mijn armen lag op dat moment een vrouw en voor zo lang als het duurde was ze mijn vrouw, mijn meisje, of hoe je het maar wilde noemen.
In mijn naïeve verlangen om van haar 'mijn' meisje te maken raakte ik alleen haar bovenlichaam aan. Ik wilde niet de indruk wekken dat het me maar om een ding te doen was. Ik streelde de lange zwarte haren en werd gaandeweg overmand door liefde. Op mijn herhaalde: “Ik wil je kussen” sloot ze de ogen en liet mij mijn gang gaan. Ik legde al mijn emoties in die kus. Teder en liefdevol liet ik mijn lippen hun gang gaan. Plotseling bewoog ze haar armen en legde die om mij heen.
Ze opende de ogen en keek me aan. Haar woorden waren zacht gesproken: “Tu est vierge, oui?”
Het duurde even voordat ik het begreep en toen ik net zo zacht bevestigde dat ik inderdaad nog maagd was, omhelsde ze me gepassioneerd.
“Ben je echt nog maar negentien?” wilde ze weten.
Ik knikte.

“Oh, mon Dieu” Haar vingertje streelde mijn bovenlip.
“Wat is er?” lachte ik.
“Dat wordt dus heel speciaal.”
Ik begreep haar niet helemaal. Ze lag op haar rug en plukte en trok net zo lang tot ik op haar lag. Ze sloeg haar armen om me heen en keek me aan.
“Ben ik de eerste vrouw waarmee je het doet?” wilde ze weten.
Er was geen reden om het te ontkennen. Gevrijd had ik, met twee meisjes. Maar werkelijk de liefde bedreven volgens het boek, nee. Deels uit onwetendheid en deels uit angst voor ongewenste zwangerschap.
Daarom vertelde ik haar dat ze de eerste was met wie ik het echt zou doen. Ongelovig keek ze diep in mijn ogen, haar ogen schoten van mijn linker naar mijn rechteroog alsof ze trachtte te peilen of ik de waarheid sprak.
“Kiss me, baby” zei ze en hield haar mond voor mij gereed.

Ik lag inmiddels op haar en kuste haar met overgave. Ze had haar mooie slanke benen gespreid zodat ik de stugge beharing van haar schoot tegen mijn buik voelde. Mijn stijve was ondragelijk hard en pijnlijk maar er was nog steeds iets dat me tegen hield. Ze merkte het.
“Wanneer heb je je mamma voor het laatst gezien?”
“Bijna twee jaar geleden, waarom?”
“Zo lang? Dat is te lang.”
Ze keek me onderzoekend aan en plukte wat aan mijn haren.
“Negentien” herhaalde ze zacht voor zich heen. “ Mon Dieu.”
Ze sloot haar ogen en trok mijn hoofd tegen haar borst. Een minuut of wat bleef ze zo liggen. Later heb ik er vaak over nagedacht. Weten Aziatische mensen meer over de menselijke geest dan wij Europeanen?  Weten ze beter dan wij waardoor menselijke emoties worden gedreven? Weten ze beter wat de band tussen moeders en zonen inhoudt of was ze een bijzonder geval? Ze zei iets wat ik nooit vergeten ben.

“Come baby, love mama. Tell mama how much you miss her.“
Haar woorden raakten een snaar in mijn gemoed en deden onverwachte tranen opwellen. Haar handen brachten me zonder omwegen in haar ervaren schoot. Ze omhelsde me en fluisterde in mijn oor: “Please love me, tell mamma how much you love her.”
En dat was precies wat ik deed. Voor het eerst kon ik me uitleven, al mijn koortsige dromen waar maken.
“Yes baby, love me. Tell me how much you love mamma”
“I love you.”
“Tell me you miss your mamma.”
“I miss you... Mamma.”
“I miss you too, baby.”

Mijn tranen drupten op haar gezicht maar dat kon mijn lustgevoelens niet tot bedaren brengen. Ik deed me gulzig tegoed aan haar lichaam. Ontdaan van mijn remmingen en bedenkingen over mijn gedrag door haar welgekozen woorden liet ik me gaan. De eerste, bijna pijnlijke, zaadlozing had geen enkel effect op de hardheid van mijn stijve. Ik verkeerde in een soort roes. Denken lukte niet. Alles wat ik was leek geconcentreerd in het uiterste puntje van mijn erectie. Haar strelingen stimuleerden mijn prestaties zodat ik pas na een derde of vierde orgasme uitgeput op haar tengere lijfje bleef liggen.

Met mijn gezicht in het kussen en mijn wang tegen haar wang, lag ik nat van het zweet uit te puffen. Ze streelde me voortdurend maar na enkele seconden zei ze dat ik uit haar moest omdat ze zich moest wassen. Ik lag naast haar en keek naar haar. Ze kwam overeind en toen ze op handen en knieën naast me zat boog ze zich over mijn gezicht en kuste mijn mond. Ze legde een vinger op mijn lippen ten teken om te zwijgen.
Ze keek me aan en fluisterde in simpele Franse bewoordingen: “Vanaf nu ben je mijn zoon. Je t’ aime, mon vierge.” 
Daarop gaf ze mij een lichte kus op mijn mond. Ze stapte uit bed. Met een handje tussen haar benen stond ze op en opende de kraan op de wastafel om zich te ontdoen van de sporen van mijn lijfelijke lustuitingen.

Een paar minuten later kwam ze weer naast me liggen en sloot ik haar opnieuw in mijn armen. Ik kuste haar en ze liet het toe.
“Oh, mon Dieu. Het kan niet,” verzuchtte ze. “Kussen, het kan echt niet.”
Langzaam begon het besef tot me door te dringen. Verliefd worden is er gewoon niet bij, niet voor een vrouw die met de liefde voor haar inkomen moet zorgen. Toch had mijn gebrek aan ervaring er toe geleid dat mijn hart voor haar open stond en ik geloofde dat haar gevoel voor mij meer was dan alleen op inkomen gericht. We hadden nog niet gesproken over geld en het leek niet gepast dat op dat moment te doen. Ik begreep wel dat ze niet voor niets met mij naar bed was gegaan, maar wist ook niet hoe het onderwerp ter sprake te brengen en liet het aan haar over. Soms speelt het lot een vreemd spel met ons gevoel. Wie weet welk verdriet zij te verwerken had? Het verlies van een kind, een zoon misschien?

Het afscheid viel me zwaar, te meer omdat Saigon voor ons geen vaste aanloophaven was. Mijn maten merkten mijn neerslachtigheid en trachtten me op te beuren. Met opmerkingen als: “Ah joh, het is maar een snolletje.”
Ik wist beter en wilde daar niets van horen, maar vergat haar na enkele weken toch.


Epiloog

Toen ik meer dan een jaar later, door puur toeval, aan boord van dat zelfde schip opnieuw een kort bezoek aan die haven bracht, dacht ik eigenlijk al niet meer aan mijn ontmoeting met Nguen. We zouden slechts enkele uren aan de kade liggen en daarna vertrekken richting Osaka in Japan. Ik ging de wal op om zeep en wat andere spullen voor mijn dagelijks onderhoud te kopen. Slenterend langs de stoffige weg onder de scheefhangende palmen genoot ik van de doordringende geuren van de tropen; vuurtjes die naar sandelhout geurden, rijpe mango’s, papaya’s, en al die honderden andere typisch tropische geuren die het verblijf in die contreien tot een opwindend genot maakten. Sigarettenverkopers, koffietentjes, fruit- en groenteverkopers. Iedereen prees langs de weg zijn waren aan. Daar slenterde ik, stijf wit overhemd, driekwart uniformbroek en witte schoenen. Om twaalf uur was het vertrek gepland dus veel tijd restte me niet.

Plotseling weerklonk mijn naam, luid en duidelijk: “Miel, Miel!”
Als een wervelwind rende ze me tegemoet en vloog me om de hals. Een klein slank vrouwtje met lang krullerig haar en prachtige amandelvormige ogen. Ik was er verlegen mee, daar midden op die marktstraat, maar ik lachte van geluk toen haar dunne taaie armpjes me omknelden.

Ze kraamde onzin uit: “Ik laat je niet gaan!” en “Laten we samen weglopen van je schip.”
Ik lachte maar, daar midden op die drukke markt.
“Kom je koffie drinken?” vroeg ze me met nog steeds haar armen om mijn hals. Zonder op antwoord te wachten troonde ze me mee naar een van de stalletjes waar koffie werd geschonken.

"Mijn vriendin,” legde ze uit toen ze me voorstelde aan het jonge vrouwtje die kennelijk de baas was in het koffiekraampje. We dronken koffie en ze stelde voor dat we onmiddellijk daarna naar bed zouden gaan. Dat had ik graag gewild, zeker omdat het niet vaak gebeurt dat je met zo veel enthousiasme wordt gevraagd het oudste spel van de wereld te spelen.

En dat, beste lezer, gebeurde niet want deze jongen moest haastig terug aan boord van het schip dat om twaalf uur uit zou varen. Gebonden aan hoog water om de modderige rivier te kunnen af stomen wist ik dat de gezagvoerder niet zou wachten op een leerling officier die aan de wal bezig was zich te verpozen met een plaatselijke schoonheid. Dus namen we opnieuw afscheid. Deze keer was zij het die tranen met tuiten huilde.
“Ik wil iets voor je doen” zei ze. “Wat wil je hebben, wat moet ik doen?”
Ik vertelde dat ik ook wel graag een aapje wilde kopen.
“Laat mij maar,” zei Nguen en hield haar slanke koffiebruine handje op voor de bundel smoezelige piasters die ik uit de borstzak van mijn overhemd haalde. Ik gaf haar bijna alle piasters die ik bij me had en zij verzekerde me dat ze het zou regelen. De tijd drong en omdat ik al laat was nam ik een riksja terug naar boord.

Het was me zwaar te moede om voor de tweede keer dit lieftallige vrouwtje alleen te laten, maar wat kon ik anders doen dan me schikken in het lot? Ik maande de riksja man om er de sokken in te zetten omdat ik niet te laat aan boord wilde verschijnen. Zeer tegen zijn zin en gewoonte begon hij te draven en binnen tien minuten waren we de bewakers bij de poort van het haventerrein gepasseerd. Niet veel later bereikten we mijn schip. Ik droeg de allerlaatste piasters over aan de nu bezwete renner die het dunne bundeltje verfomfaaide biljetjes met verbijstering bekeek. Had hij zich daarvoor in het zweet gerend? Ik haalde machteloos de schouders op toen ik de uitdrukking van minachting op zijn bruine gezicht gewaar werd en rende de gangway op, om me om te kleden zodat ik op wacht kon.

Een klein half uur later, de trossen werden net los gemaakt, riep de vierde stuurman me van boven in de machinekamer: "Miel, Miel, kom vlug!"
Ik rende de trap op zo snel als ik kon, niet vermoedend wat de reden van die paniekoproep kon zijn.
“Daar!” riep hij en de kwartiermeester die naast hem stond voegde er aan toe: “Your lover!”
Waarbij hij hartelijk lachte. Op de kade stond Nguen samen met een magere man met een fiets. Op de bagagedrager van die fiets stond een houten kist waarin zich een monster van een aap bevond die kwaadaardig naar iedereen loerde die in zijn buurt kwam.

Nguen stond te springen en zwaaide naar me: “Munkie, munkie!” riep ze.
Over de gebeurtenissen die volgden had ik weinig of geen controle. Een kwartiermeester rende lachend de gangway af en nam de kooi met aap in ontvangst. Hij zeulde de last naar boven en plaatste die voor me op dek. Het schip maakte zich los van de wal en de kleine tengere Nguen stond met een handje voor haar mond om haar verdriet af te schermen, en zwaaide met haar andere hand vertwijfeld haar afscheid. Ik wuifde en huilde, draaide me om en ging de machinekamer in. Nooit heb ik haar na die dag meer gezien.

De hel brak los in Vietnam met de bevrijdingsacties van onze 'vrienden,' de Amerikanen. Een bommentapijt heeft niets met tapijt te maken maar alles met bommen en met het onpeilbare verdriet en de ellende die dat veroorzaakt. Ver van huis alles stuk gooien uit naam van de brengers van democratie. Wat er overbleef van een 'bevrijd' Vietnam mocht geen naam meer hebben.

Ik ben er nooit meer geweest. Misschien maar gelukkig ook want de tijden van weleer bestaan niet meer. Haar naam en haar bijnaam, café au lait, ben ik nooit vergeten.

Alle verhalen van: Miellenium

Fijn verhaal 
+2

Reacties  

erratum.
"John Steinbeck schreef in 1939" deze woorden berusten op een vergissing. De auteur van het verhaal "The ugly american" was William Lederer. Het verhaal werd gepubliceerd in 1958.
Miel
Miel! Oh hier is hij dus neergestreken. Eindelijk. Als ls je hem eenmaal hebt gelezen ga je hem volgen en blijft hij te lang weg ga je hem missen de rasverteller Miel. Meer zeg ik er niet over, dat deed Fanny al goed genoeg. Blijf schrijven Miel, please :-)
Lang geleden,als redactrice van een andere ero-site werd ons een verhaal aangeboden, titel: 'een kopje groentesoep'. Ik ben niet zo goed in taal, schreef Miel erbij. Een beetje afwachtend en sceptisch begon ik te lezen. Inderdaad, enige correctie kon het verhaal wel gebruiken; leestekens, opmaak, enkele taalfoutjes. Maar o... wat had ik dat er graag voor over! Want vertellen kon hij wel. En hoe!
Het ene verhaal volgde na het andere. Lange en korte verhalen, vaak over zeevaart, verre oorden en exotische vrouwen. Maar ook alledaagse tafereeltjes onder Hollandse luchten of bij een knetterend haardvuur. Terwijl ik komma's in punten veranderde, en punten in komma's verslond ik als eerste zijn pareltjes over erotiek, seks en zijn liefde voor vrouwen. Ik ging weg bij die site, Miel later ook. Ik vroeg me nog wel eens af hoe het met hem zou zijn. Of hij nog schreef.
Hij schrijft. En ik verheug me bij voorbaat op al het moois dat hij nog voor ons in petto heeft :P