2523 woorden | Leestijd 13 minuten

In het vooronder hing een zwoele atmosfeer. Het was er warm en vochtig en het rook er naar zware shag en jenever. De warmte kwam van een klein potka­cheltje dat met een donkerrode buik stond te kachelen en de lucht van shag en jajum kwam natuurlijk daarvan. Het vocht kwam van de zwetende mannenlichamen die rond de tafel zaten. Hun zware duffeljacks hingen boven de rubber zeelaarzen aan een kapstok. Die jassen waren nat en verspreidden een onaangename lucht van traan en vis. Het was er niet erg licht maar het kleine peertje aan het plafond van de vooron­der ver­spreidde net genoeg licht om de kaarten te kunnen lezen. Vier mannen zaten rond de tafel, een vijfde, een beetje jonger dan de rest, lag in z'n kooi en keek geïnteres­seerd naar het kaart­spel. Hij lachte af en toe om de grappen die gemaakt werden en kon net de kaarten zien van de man die met zijn rug naar hem toe zat.

“Een snee móet niet vies ruiken!” zei Klaas die met het geluid van een autoriteit telkens het woord nam.
De anderen waren stil en Klaas ging verder; “Kijk, een snee die naar vis stinkt daar mot je afblijven, be­grijp je wel? Dat zit niet goed, daar kejje iets van oplope.”
Arie die in de kooi zat en zijn benen buiten de kooi liet bungelen liet zich op z'n rug vallen en lachte, een beetje verlegen, want zo openhartig over het vrouwelijk geslacht praten was voor hem eigenlijk nog taboe. 
Karel die met zijn zware rosse baard tegenover Klaas zat haakte er op in. “Je ken toch moeilijk aan een vrouw vragen of je eerst effe an d'r kut mag ruike voor je een afsprakie met 'r maakt.”
De anderen moesten hartelijk lachen. Het idee! Ook de jongen in de kooi lachte mee, dus de anderen vonden het ook raar dacht hij en voelde zich veilig. 
“Dat ken ook niet,” zei Klaas en hield z'n hoofd scheef om de sigarettenrook niet in z'n ogen te krij­gen. “Dat ken ook niet en daarom motte jullie van vremde vrouwe weg blaife!” 
De anderen gromden een beetje en Pieter krabde in z'n kruis.

De hele discussie was door hem op gang gebracht omdat hij iets had opgelopen in St. John waar ze twee weken eerder een paar avonden aan het stappen waren geweest. Hij was al bij de stuurman geweest die hem een doos pillen en een spuit had gegeven. Het zal wel over gaan had die gezegd maar 't kan wel een week of wat duren. En al die tijd piste Pieter met pijn en hoopte dat 't over zou zijn voor ze weer thuis zouden komen.

Af en toe maakte het schip een zwaai wanneer een extra hoge golf probeerde haar uit de koers te drukken. De mannen hadden geen last van de slingerin­gen; ze waren wel wat gewend. Een paar goeie vangsten, dát hadden ze gemaakt in de afgelopen weken. Dat mocht ook wel want de reis naar Schotland was geen pretje op het betrekkelijk kleine schip. In de Noordzee waren de vangsten óf matig de afgelopen jaren óf er waren vangstquota waaraan ze zich moesten houden. Niet dat ze dat altijd deden maar er zijn grenzen aan de mate waarin je afspraken kunt overtreden.

Nu waren ze op weg naar de laatste visgrond voor ze weer richting Nederland zouden gaan. Het was geen zwaar weer maar er stond nog een hoge deining die overgebleven was van de storm die het gebied de afgelopen dagen had beheerst. 
Bij de laatste trek had Klaas bijna zijn linkerhand verloren, het was net goed gegaan maar hij had er wel een behoorlijke kneuzing aan over gehouden. Zulke bijna ongelukken ge­beurden wel vaker en daarom deed nie­mand er kinderachtig over maar iedereen die Klaas had horen gillen werd wel weer even met de neus op de gevaren gedrukt die elke dag op de loer lagen in dit harde vak. De schipper had na afloop allen bijeen geroepen en duidelijk gemaakt dat ze geen onnodige risico's moes­ten nemen omdat hij ze acuut zou ontslaan als ze niet konden werken.

De jongen bekeek de gebeurtenissen met belangstelling en oplettendheid. Hij was nog jong en dit was zijn eerste reis naar Doggersbank. Hij zou goed oppassen had hij zichzelf voorgenomen. Voor het bescheiden loon dat hij als jeugdloner kreeg uitbetaald wilde hij geen risico's lopen. Gespannen luisterde hij naar de mannen. Hij was als elke jongen van zijn leeftijd altijd geïnteresseerd in dingen die met vrouwen te maken hadden.

Het was een poosje stil, de mannen dachten aan thuis en Pieter maakte zich zorgen. Wát als hij nog last zou hebben als hij thuis was? Hoe moest hij uitleggen dat hij wel wilde maar niet durfde uit vrees dat hij zijn vrouw zou besmetten. Hij be­dacht verschillende plannen die allemaal gedoemd waren te mislukken, dat begreep hij wel. Spelen dat hij ziek was zou nog het beste zijn bedacht hij. Ja, net doen of hij erg verzwakt was door een akelige ziekte. Hij moest alleen nog een naam bedenken voor de ziekte. En wat moest hij dan tegen de dokter zeggen want zijn vrouw zou natuurlijk de dokter laten komen, zorgzaam als ze was.

Hij schaamde zich dat hij zich toch weer had laten gaan daar aan de wal in St John. Maar ja, ze had er ook zo leuk uit gezien in het zachtrode licht in de bar en ze zat voort­du­rend met haar handen in zijn kruis. Eerst had ze om een drankje gevraagd, nou dat kon er wel af bij Pieter want gul was hij. En daarna had ze willen dansen, ook dat ging wel dacht hij en schoof de vloer op met haar in zijn armen. Tijdens de dans had ze zonder onderbreking haar heupen tegen hem aangeduwd tot zijn stijve als een heipaal in zijn broek stond. Toen ze het voelde wreef ze stevig heen en weer en legde zelf zijn grote handen op haar eigen achterste. Vanaf dat moment duwde hij haar nog steviger tegen zich aan. Ze was tevreden en wreef geregeld haar borsten tegen zijn borst. Het was een grote vrouw geweest en af en toe kneep ze haar dijen samen en omknelde zo zijn boegspriet. Na de dans zaten ze in een alkoofje en bestelde ze op nieuw twee whisky voor hen. 

Pieter kon nog maar aan één ding denken en was al lang vergeten waar hij van­daan kwam en waar hij over twee weken weer zou zijn. Tegen het einde van de avond zeurde de vrouw over naar huis gaan met hem en dat ze hem zo nodig had. Dat had hij zelf ook wel begrepen. Aan haar gedrag kon je goed merken hoe zeer ze een echte kerel nodig had. Hij voelde zich eigenlijk wel gevleid en betaalde gul de veel te hoge rekening toen ze samen weg gingen. De taxi bracht ze een uur weg van de havenkroeg. Tijdens die rit viel hij twee keer in slaap. Zij was een stuk rustiger geworden en haar handen waren ook niet meer voortdurend in de weer in zijn kruis.

Eindelijk kwamen ze daar waarheen ze de taxi had gediri­geerd. Het was een afgelegen plek en het huis was niet groot, dat kon hij zelfs in het donker nog wel zien. Hij betaalde en ze stapten uit, de vrouw ging hem voor naar het huis en opende de deur. Binnen deed ze het licht aan en Pieter zag dat er alleen een kaal peertje aan het plafond hing. Niet erg gezellig dacht hij. Maar ach, hij kwam natuurlijk niet werkelijk om van de gezelligheid te genieten. In de kale hal bleef hij verbaasd staan en keek om zich heen bij het schamele licht. De vrouw was verdwenen in een van de kamers. 
Ze riep hem; “Come on!”

Hij wankelde de kamer in waarvan de deur open stond en zag een lage tafel met een heleboel kaarsen er op. Ze had er een stuk of vijf aangestoken. 
“Romantic isn't it?” vroeg ze hem en ging naar een hoek van de kamer waar een wastafel stond. 
Aan de andere kant van de kamer stond een laag bed, net groot genoeg voor één persoon om op te sla­pen. In het schemerige licht bekeek hij de rug van de vrouw die net bezig was haar ondergoed uit te doen. Ze hing het allemaal over een hangertje naast de wasta­fel. Daarna deed ze de kraan open en waste met haar hand haar zakelijke delen die Pieter zo dadelijk ging gebruiken. 
Ze had wel erg dikke billen dacht Pieter maar vóór hij nog meer kritische blikken op de achterzij­de van de vrouw kon werpen draaide ze zich om. Haar borsten hingen zwaar naar beneden; heel anders dan toen ze nog gekleed was geweest. Door de koude en de donkere kamer waar weinig meer stond dan een bed en een stoel, ver­ging Pieter langzaam aan de lust om te doen waarvoor hij gekomen was. 
“You have to pay me first,” zei ze en hield haar hand op voor het geval hij het niet begrepen zou hebben. 
“Yes, yes” zei Pieter en haalde een handvol dollars uit zijn zak. 
“How much?” vroeg hij. 
“What have you got?” vroeg ze en telde voor hem de verfrommelde bankbiljetten. 
Bijna veertig dollar was 't. 
“Is that all?” vroeg ze argwanend. 
“Yes.” zei Pieter, “The taxi was expensive, you know.” 
Ze vloekte zacht. 
“Fifty is the rate,” zei ze en hield de dollars vast. 
Pieter hief met een hulpeloos gebaar zijn handen op. 
“Okay, I'll take it,” zei ze. “Come on, hurry up, it's cold, I can't stand here fore­ver.” 
Ze kwam naar hem toe en maakte zijn riem los. Pieter liet zijn broek zakken en meteen was haar hand rond zijn gereedschap. Met vaardige bewegingen bracht ze het spul in stelling. 
“My, you are big,” zei ze maar Pieter hoorde aan haar stem dat ze er niets van meende. 
Hij stond nog steeds met zijn broek op zijn schoenen en ze wilde zijn lat al tussen haar benen steken. 
“Not on the bed?” vroeg hij.
“For forty Dollars? Are you kidding?”

Hij trapte zijn broek uit zodat hij ten minste zijn benen kon bewegen. Het werd trouwens beroerd koud ook al had hij dan zijn hemd en trui nog aan. Ze was zo heftig met haar handen in de weer dat Pieter bang was af te gaan nog vóór hij zijn veertig dollars verstookt had. Hij duwde haar handen weg en nam haar zonder omwegen. Ze was zo ruim dat hij naar beneden keek om te zien of hij niet mis gestoken had. 
Alles aan haar valt tegen, dacht hij en vloekte inwen­dig omdat hij aan het hele gedoe al bijna honderd dollar kwijt was. Als je de taxi terug er ook bij rekende.

Het was geen prettig nummer. Pieter stootte voortdu­rend in de ruimte en het duurde te lang. Toen hij klaar kwam liepen de koude rillingen over zijn dijen. Hij trok zich terug, beschaamd, teleurgesteld en in zijn ­hoofd de gedachte aan veertig, nee, honderd dollar die hij armer was als hij straks weer aan boord zou zijn.

De vrouw liet hem alleen en ging zich wassen. Daarna kleedde ze zich snel aan. Terwijl Pieter nog met zijn kleding in de weer was belde ze al een taxi. Tien minuten later stond hij voor de deur. De vrouw sloot de deur achter hem en ze stapten in de taxi. Hij achterin en de vrouw voorin. Ze gaf het adres op van de bar waar ze Pieter gevonden had en de taxi draaide de weg op. Het was een lange donkere weg, weinig verkeer en veel regen. Onderweg viel hij weer in slaap en toen ze bij de bar stopten en de vrouw uitstapte zei ze tegen de chauffeur dat Pieter zou betalen. De chauffeur draaide zich om naar Pieter en vroeg: “What ship?” 
Pieter noemde de naam en ze gingen op weg. 

“Was she any good?” vroeg de chauffeur aan Pieter. 
Hij dacht na en antwoordde: “Yes, she was very good, the best I ever had.” 
De chauffeur lachte, “Expensive, yes?” 
“Fourty,” zei Pieter. 
“For that you could have stayed all night with one of the girls in the harbour motel,” zei de chauffeur. 
Pieter voelde zich verdrietig, eenzaam en miserabel koud. Hij was met een onvriendelijk oud wijf mee gegaan en had nog te veel betaald ook. Hij wilde er liever maar niet meer aan denken.

Maar dat pakte anders uit. Toen hij aan boord kwam moest hij de schipper wakker maken om dollars te lenen zodat hij de taxi kon betalen. De volgende dag piste hij spelden en wist meteen hoe laat het was. Ook dat nog dacht hij, twee weken voor de kerst, morgen zouden ze ver­trekken naar Neder­land.

De reis verliep voorspoedig en het pissen deed Pieter steeds minder pijn. Gelukkig, dacht hij, misschien zou 't nog goed komen. Maar 't kwam niet goed. Daags voor de kerst liepen ze binnen en na het lossen gingen ze allen huns weegs. Pieter ging samen met twee van zijn maten die in het zelfde dorp woonden.

Toen hij thuis kwam werd hij verwelkomd door zijn vrouw en zijn dochters. Hij was blij met de warmte en de geborgen­heid die hij thuis vond. Het maakte dat hij alle ontberingen van de afgelopen weken bijna vergat. Toen het avond werd dacht hij weer aan zijn ongemak. 
“Morgen is 't kerstmis Pieter, zullen we maar vroeg te bed gaan?” 
“Waarom?” vroeg Pieter en zijn vrouw keek vreemd op. 
“Heb je iets?” vroeg ze. 
“Nee, nee, d'r is niks hoor.”
Ze stond met de deur in de hand en keek naar haar man. Ze hield van hem, 't was net een grote domme jongen maar het gaf haar een fijn gevoel om hem weer thuis te zien. Hij zat in elkaar gezakt in de grote stoel en zag er verdrietig uit vond ze.

Het bleef stil. Alleen de klok op de schoorsteen tikte de laatste uren weg voor Kerstmis.
“Heb je iets opgelopen?” vroeg ze hem. Alsof hij gesto­ken werd veerde Pieter op. Hij stond op 't punt om “nee” te zeggen toen hij plotseling voelde hoe zinloos dat was. Hij zakte weer terug in zijn stoel.
“Ja,” zei hij zwak en draaide zijn hoofd weg.
“Ben je bij een dokter geweest?”
“De stuurman heeft me medicijnen gegeven, het gaat over.” 
“Nou kom dan maar gauw naar bed.” zei zijn vrouw. “Je mag wel bij me slapen maar je komt d'r niet in vóór het echt over is.”

“Kom op, doe niet zo sikkeneurig,” zei ze en kwam naar hem toe. 
Ze pakte zijn hand en trok hem mee. “Vannacht slaap je weer lekker bij mij en vergeet al die andere wijven nou maar.”
Pieter voelde zich klein, héél klein maar de warmte deed hem goed. Gelukkig zou 't over gaan dat had de stuurman gezegd. En morgen, morgen was het Kerstmis.

Meer verhalen van: Miellenium

Fijn verhaal 
+1

Reacties  

Sommige souvenirs neem je liever niet mee naar huis. Het gevoel van schaamte is bijna tastbaar. Wat een heerlijk levensecht verhaal weer, Miel
Het verhaal speelde zich niet af in deze tijd, waarover Miel schreef. Seks met vaak hele andere gevolgen dan nu. Wat van alle tijden blijft zijn lust en verlangen, liefde ruimdenkendheid en vergeving. Wel of geen kerstverhaal, ik vind het mooi.