7353 woorden | Leestijd 37 minuten

London, 15 April 2010

Jezus, wat een puinhoop.

Samen met zo’n veertig andere gestrande reizigers stond ik aan de balie van een groot hotel in een deprimerend lange rij. En dit was al hotel nummer drie. Geholpen door een noordwestenwind had een wolk as afkomstig van een onuitspreekbare vulkaan op IJsland het voor elkaar gekregen om het hele vliegverkeer hier lam te leggen.
Naar ik inmiddels begreep, was dat in zo’n beetje heel Europa het geval en het had op alle nog beschikbare hotelkamers een ware stormloop veroorzaakt. Het was eigenlijk de bedoeling geweest om gisteravond al terug te vliegen naar Amsterdam, maar stroef lopende onderhandelingen hadden me genoodzaakt er een dagje extra in de Britse hoofdstad aan vast te knopen. Nu had ik natuurlijk spijt dat ik maar een enkele dag extra had geboekt, maar dat was te laat. Mijn afspraak op Canary Wharf, een kantorenwijk aan de Theems, had te lang geduurd om nu nog iets te pakken te kunnen krijgen. Dat was al niet gelukt in het hotel waar ik verbleef, niet in het volgende en het ging ook hier niet lukken, wist ik nu. De opgewonden gezichten en wegwerpgebaren aan de voorkant van de rij spraken boekdelen.

Ik hoorde mijn mobiel overgaan. Het gesprek kwam van het kantoor op Canary Wharf. Zou er nou ook nog een kink in de kabel van onze moeizaam tot stand gekomen deal gekomen zijn? Echt gerust was ik niet toen ik opnam.
“Ik bel namens onze directie,” meldde een keurig klinkende vrouwenstem. “We wilden even checken of u inmiddels onderdak hebt kunnen vinden?”
“Niet echt, het is hier een beetje een chaos.”
Ik deed kort verslag van mijn vergeefse pogingen tot nu toe. Even vroeg ik me af of de vrouw die me belde de assistente van de grote baas was. Niet vanwege het belang, maar omdat haar beduidend meer dan gemiddeld mooie uiterlijk me eerder die dag opgevallen was.
“Ik begrijp het, meneer,” klonk het kordaat. “Een ogenblikje graag?”
Het antwoord kwam ook echt na een ogenblikje. Ik verbeeldde me dat ze het was.
“Excuses dat ik dit nu pas bedenk,” zei ze beleefd. “maar een van onze directieleden zit momenteel vast in Stockholm. Om dezelfde reden als u hier bent gestrand. Hij heeft een appartement in Kensington. Dat laat ik nu schoonmaken en ik heb de huismeester zojuist verwittigd.”
Ik moest even bijkomen van de verbazing. “U bedoelt dat ik onderdak heb, correct?”
“Dat is volledig correct meneer. U kunt er over twee uur terecht. Er zijn mooie galeries daar in de buurt. Die kan ik u zeer aanbevelen om te tijd te doden.”
“Dat klinkt als een plan,”zei ik.
“Richard Hamilton in Serpentine’s zou een heel goed plan zijn,” tipte ze me. “Dat is op Kensington Gardens.”
“U klinkt als een expert,” zei ik.
“Een liefhebster,” verbeterde ze bescheiden. “Laat mij u eerst uw verblijfsadres sms’en, dan stuur ik er een ruime keuze aan galeries achteraan.”
“Dat klinkt geweldig.”
“Ik hoop dat het u mag bevallen,” antwoordde ze beleefd. “Waar bent u momenteel?”
“Ergens in een zijstraat van The Strand, niet zo ver van Charing Cross.”
“Dan is het ruim tien minuten met de taxi, schat ik. Of u neemt de Underground, naar Notting Hill Gate.”
“Mevrouw, ik had er ook een uur voor gelopen,” zei ik dankbaar. Ik hoorde haar bedeesd glimlachen.
“Als u een paar pond op zak hebt, zal dat niet nodig zijn, meneer. Als ik nog iets voor u kan doen, kunt u te allen tijde dit nummer bellen.”
“Hoe lang zou ik er gebruik van kunnen maken?” informeerde ik nog even voor de zekerheid.
“Het ziet er voorlopig hoogst onzeker uit wat vliegverkeer betreft. We gaan proberen ervoor te zorgen dat u niet op straat komt te staan,” antwoordde ze met understatement.
“Dat is een aangename geruststelling,” zei ik.

Ik bedankte haar nogmaals, klapte mijn telefoon dicht en slaakte een zucht van verlichting. “Mazzelpik,” zei ik tegen mezelf. Opgelucht draaide ik me van het chaotische rumoer weg en liep door de draaideur van het hotel de straat op. Het was rechtsaf naar The Strand en even later zat ik in een cab op weg naar Kensington en onderdak. De toegezegde sms’jes plingden op mijn mobiel binnen.

Mijn redster in de nood had niet overdreven. De statige wijk bood een keur aan werkelijk prachtige galeries. Ik was inmiddels op weg van haar tweede naar haar derde tip toen ik aan de overkant van het smalle straatje een mooie vrouw zag lopen. Ze had iets stijlvol arrogants, wat ik wel bij dit dure deel van London vond passen. Ik probeerde haar niet al te lang na te staren en wendde mijn blik naar de etalage van wat nog een galerie leek. Wat kleiner dan de twee die ik al had bezocht, maar het werk dat in de etalage hing trok op de een of andere manier mijn aandacht. Ik stak over en liep ernaar toe. Mijn aandacht groeide met een schok toen ik de naam zag van degene die het geschilderd had: Sigrún Hallbjornsdottir. Ik bekeek het schilderij aandachtiger, inclusief het kaartje met gegevens rechtsonder.

Op dat moment stokte mijn adem.

 

Tatabánya, Augustus 1997

“Sigrún,” stelde ze zich voor, “uit IJsland.”
Ze keek er heel mooi bij. Ik schatte haar begin twintig, maar later die dag bleek dat ze pas negentien was. Voor iemand van die leeftijd staarde ze opvallend zelfbewust de wereld in. Ook leek ze met afstand de jongste van het gezelschap waarin ik via Stefanie verzeild was geraakt en dat bestond uit jonge kunstenaars. Naast jong vond ik Sigrún bij die eerste aanblik vooral ook heel intrigerend. Ze had fel lichtblauwe ogen en pikzwart haar, naast iets wat ik niet associeerde met een IJslands uiterlijk vooral een heel erg mooie combinatie.
Maar er was nog iets, al was dat moeilijker in woorden te vatten. Ons handje geven duurde veel langer dan voor zo’n moment gebruikelijk is. Ik wist niet eens hoe lang, maar ik stond haar zomaar aan te staren. Daadoor duurde het ook even eer ik erachter kwam dat we dat allebei aan het doen waren. De zelfbewuste felblauwe ogen bleken op mij gericht. En hoe. Als ik ooit een gevoel heb gehad dat ogen dwars door me heen keken, was dat toen. Terwijl zij geen moment verlegen leek met de situatie, kon ik dat niet echt zeggen.
“Welkom hier,” zei ze met een zelfverzekerd glimlachje. “We spreken elkaar later nog.”

De treinreis via Boedapest naar de saaie Hongaarse industriestad Tatabánya was lang en had ook nog vertraging opgelopen, maar het weerzien met Stefanie maakte veel goed. Ze was al zo’n acht jaar een echte vriendin en soulmate, iemand met wie ik zo’n beetje alles deelde zonder dat er ooit iets seksueels tussen ons was gebeurd. Zij had me hier uitgenodigd en nu introduceerde ze me aan de groep kunstenaars die hier voor drie weken samen was voor een of ander internationaal project. Dat project was nogal vaag, maar het leek een leuke club mensen. Er werd geanimeerd gepraat en veel gelachen aan de lange tafel waar iedereen zat te eten toen ik wat verlaat arriveerde. Ik moest aanschuiven, wat ik ook direct deed. Na bijna een dag treinen met kleffe broodjes en slechte koffie was iets warms te eten erg welkom, al deed de geserveerde goulash me al spoedig kennismaken met nieuwe dimensies van het begrip heet: de pepertjes vlamden werkelijk indrukwekkend, tot vermaak van iedereen die inmiddels wist dat je die dingen er beter uit kon vissen.

Ondertussen werd ik door Stef ingepraat over het gezelschap. Niet onverwacht bleek haar favoriet ene Flaviu te zijn, een bebaarde Roemeen met een vurige blik. Zijn uiterlijk kwam dicht in de buurt van haar zwak voor Griekse mannen waar ik al veel scabreuze verhalen over had gehoord.
“Verder is die blonde Rus daar leuk,” informeerde ze me discreet. “Vladimir heet hij, maar iedereen noemt ‘m Volodja. Hij komt uit Petersburg en maakt mooie grafiek. Ik heb al met hem afgesproken dat wij samen naar de Hermitage gaan.”
Dat kwam niet als een verrassing. Stef verslond musea en dit wereldberoemde stond al jaren hoog op haar lijstje.
“En dan is er nog die blonde Finse daar, Anu. Die is leuk en dan natuurlijk Sigrún. Die is echt geweldig goed en ook nog heel aardig.” Bij die laatste woorden keek ze me met een doorkijklachje aan. “Maar dat wist je al, hè?”
Ik grijnsde maar was niet verbaasd. Stefanie had me wel vaker verrast met treffende observaties, en daarnaast realiseerde ik me dat het staren naar de IJslandse waarschijnlijk opzichtiger was geweest dan in mijn herinnering stond.

Stef was die dag bij de afwasploeg ingedeeld en ik hielp mee om nog wat bij te kunnen praten. Daarna wees ze me mijn kamer en keken we even rond in de grote zaal van het complex, waar iedereen werk had hangen dat tijdens dit project vervaardigd was. Als groot fan van haar etsen was ik daar vooral in geïnteresseerd, maar ook door het werk van de Russische graficus was ik wel geboeid. Echt overrompeld werd ik echter door de twee schilderijen van Sigrún die er hingen. Haar werken waren bijna rauw in hun abstracties, maar ze straalden zoveel primaire kracht uit dat ik er stil van werd.
“Geboren op een vulkaan,” zei Stef erover, “en dat kun je wel zien.”
Dat wist ik niet, maar ik was het er helemaal mee eens.

De avonden werden meestal gezamenlijk doorgebracht aan het meertje onderaan de heuvel waarop het gebouwencomplex gelegen was. Toen we die richting op liepen klonk er al gitaarmuziek en lichtte een kampvuur op in de vallende avond. Stef en ik keken elkaar wat verzuchtend aan toen het onvermijdelijke ‘Blowing in the wind’ ons tegemoet klonk, maar we zeiden er niets van. In het water stond een krat bier. We namen allebei een pilsje en schoven aan bij het groepje van een man of tien dat in een kring om het vuur zat. Het was Stefanie niet ontgaan dat Flaviu was gaan verzitten om wat ruimte te maken voor ons twee, en daar namen we ook plaats. We raakten gemakkelijk aan de praat, al keek ik af en toe onopvallend naar het paadje vanaf de heuvel in de hoop Sigrún te zien. Dat was ik juist aan het doen toen er ineens een stem achter me klonk.

“Verwacht je nog iemand soms?”
Sigrún keek me glimlachend aan. Ik keek wat betrapt en het was duidelijk dat ze wel in de gaten had dat ik niet naar de bomen zat te kijken.
“Ik ben om het meer heen gelopen,” zei ze terwijl ze naast me ging zitten. “Mooie wandeling.”
Ze was dus van de andere kant gekomen, realiseerde ik me.

Ik begon met haar uitgebreid te complimenteren met haar indrukwekkende schilderijen en gebruikte het als opstapje voor ons gesprek. Ze bleek in Reykjavik te wonen maar was geboren in Skógar, een dorpje aan de voet van een van de vele vulkanen die IJsland rijk was. Het was een land waar ik nagenoeg niets van wist, maar ik kreeg zonder veel vragen een introductie. Ze vertelde over haar broer en ouders, en ook dat IJslandse achternamen verwezen naar de voornaam van je vader en je eigen geslacht. Dat haar broer en zij beiden dus naar hun vader Hallbjorn heetten, maar haar broer Hallbjornsson en zij Hallbjornsdottir.
“En daarom staan de telefoongidsen in IJsland op voornaam gerangschikt,” zei ze met pretogen, wel wetend dat dit het bij buitenlanders aardig deed.

Ik leerde ook dat lang niet alle IJslanders blond waren, en dat haar zwarte haar wees op verwantschap met Inuït-volkeren die het eiland ooit bevolkt hadden, zij het dat ze die blauwe ogen weer wel als Scandinavisch karakteriseerde.
“Eenzame Deense vissers die een Eskimomeisje pakten. Dat kwam nog wel eens voor,” vatte ze het samen. “En dan krijg je zoiets als ik.”
“Er zijn lelijker vermengingen denkbaar,” merkte ik op.
“Dank je, ze hadden trouwens de naam heel goed te zijn.”
Ik keek haar even twijfelend aan.
“De Eskimomeisjes, in bed,” verduidelijkte ze.
“Ik dacht al dat je dat bedoelde, maar wist het niet zeker,” zei ik, verontschuldigend glimlachend.
“Als mijn directheid schokkend is, hoor ik het wel, oké?”
Ik knikte.
“Mag jij ook zijn, trouwens. Ik ben niet zo van de omtrekkende bewegingen,” voegde ze eraan toe.

Omdat Stefanie met Flaviu in gesprek raakte, werd het gemakkelijk ons een beetje af te zonderen. Toen ik opstond om nog iets te drinken te halen, liep Sigrún met me mee en bleven we aan de oever van het meertje staan.
“Je kent Stefanie al acht jaar?” vroeg ze.
Ik knikte, aannemend dat ze dat van haar had gehoord.
“En je hebt nooit met haar geneukt?”
“Eh… nee.”
“Hmm, sexy meid, slim en een goeie kunstenares, wat wil je nog meer dan?”
“Klopt allemaal,” gaf ik toe, en dat meende ik ook. “En toch is er nooit iets gebeurd.”
“Waarom dan niet?”
“Misschien kun je een vriendschap kapot maken als je met elkaar in bed duikt?”

Daar dacht ze even over na, maar de overweging leek niet in haar repertoire voor te komen.
“Val je niet op d’r?”
“Zelfs dat,” zei ik. “En toch blijven we van elkaar af.”
“En met welke vrouw duik je wel in bed, dan?” ging ze onverdroten verder.
“Poeh, moeilijk om daar een algemeen antwoord op te geven.”
“Bullshit,” zei ze scherp.
“Is het?”
“Tuurlijk, er is altijd iets wat je triggert. Steeds weer.”

Ik was ondertussen tamelijk gefascineerd geraakt door deze dame, al kon ik er nog steeds geen vinger achter krijgen waar dat nou in zat. Ook al trokken die felblauwe ogen en haar zwarte haar me zonder meer aan, ze was niet iemand op wie ik uiterlijk direct viel. Bovendien had haar blik bijna iets van een roofdier: ze keek werkelijk dwars door me heen, had ik het gevoel. Ook was wel duidelijk dat ze iets van me wilde, maar tegelijkertijd leek dat gepaard te gaan met iets dat ik niet kon plaatsen.

“Ogen?” probeerde ik, me direct realiserend dat ze dat als een versiertruc zou kunnen opvatten. Ze schoot ook meteen in de lach.
“Dat had Stefanie me al verteld, dat je dat zou gaan zeggen. Ben je zo voorspelbaar, Paul?”
“Misschien kent jouw bron me heel erg goed,” zei ik.
“Da’s je geluk, dan,” antwoordde ze, me brutaal aankijkend. “Als ik het niet geweten had, was je tijd om geweest.”
Ik had geen idee dat mijn tijd beperkt was, maar speelde haar spelletje mee. “En nu?”
“Nu ben je toch door naar de volgende ronde.”
“Toch?”
Ze knikte. “Niet volledig geslaagd, maar je hebt krediet.”
“Oh? En waar heb ik dat aan te danken?”
“Bestemming,” zei ze, me plotseling indringend aankijkend.
“Dat snap ik niet, denk ik.”

Ik had mezelf milder uitgedrukt dan ik waarschijnlijk keek. Als tamelijk exact ingesteld persoon had ik weinig op met dit soort fenomenen en mijn gezichtsuitdrukkingen waren doorgaans weinig verhullend.

“De natuur heeft een orde,” ging ze verder, “en daar zijn wij als mensen aan onderworpen.”
Ik voelde dat mijn blik wat meewarig werd, maar ze leek mijn scepsis te negeren.
“Die onderworpenheid is universeel, en geldt dus ook voor zelfverzekerde rationalisten.”
De steek onder water deed me grinniken, maar ik onderbrak haar niet.
“In IJsland staan de mensen heel dicht bij die natuur. Onze natuur is woest en ongerept en kan elk moment de vrede van het dagelijkse leven totaal ontregelen. Dan wordt je min of meer vanzelf gevoelig voor die orde.”
“En wat heeft dat met bestemming te maken?”
Sigrún glimlachte. “Je luistert in elk geval wel, da’s al best mooi voor iemand als jij.”
Ik incasseerde sportief.
“Het dorp waar ik ben geboren ligt aan de voet van een vulkaan, eentje die nog steeds actief is. Niet elke dag, maar van tijd tot tijd rommelt ie of barst hij zelfs uit.”
Dat kon ik tenminste volgen.
“Dat deed ie ook toen ik ter wereld kwam, rommelen,” vertelde ze verder. “De barensweeën naar mijn geboorte waren schreeuwen die overstemd werden door het meest vervaarlijke gerommel sinds jaren. Dat heeft mijn persoon en bestemming ermee verbonden. Mijn karakter is als een eruptie en mijn bestemming is eraan gekoppeld. Elke keer als de vulkaan iets doet, gebeurt er iets met me.”

Overtuigd van de samenhang was ik nog allesbehalve, maar dat nam niet weg dat haar verhaal interessant was.

“Vanmiddag heb ik mijn ouders gebeld, en die vertelden dat het weer eens rommelde in Skógar,” ging ze verder. “En nu kom ik jou tegen. Daarom heb je krediet.” Haar blik analyseerde mijn reactie nauwgezet.
“Dingen die zich tegelijk voordoen hebben niet altijd ook iets met elkaar te maken,” wierp ik voorzichtig tegen.
“Je staat er niet voor open, voel ik. Dat is niet erg, hoor. Ben ik wel gewend. Maar beloof je me dat je aan me denkt als je ooit mijn bestemming weer tegenkomt?”
“Dat wil ik wel beloven, ” zei ik.
“Dankjewel,” zei ze lief.

Het was duidelijk dat het voor haar veel belangrijker was dan voor mij.

“En wat houdt die volgende ronde in?” hernam ik ons eerdere onderwerp.
Ze kneep met haar ogen. “Kun je je bestemming aan?”
“Geen idee,” zei ik, “maar je mag het proberen.”
Dat was dapperder dan ik me voelde.
“Wat ging er vanmiddag door je heen toen je me voor het eerst zag?”
“Je intrigeerde me.”
“Dat was wel duidelijk, ja,” zei ze zelfverzekerd. “maar in welk opzicht?”
“Misschien probeer ik daar nog steeds achter te komen.”
“Misschien was de vorige ronde, Paul. Je bent door naar de volgende.”
“Je windt me op en ik weet niet waarom.”
“Seksueel, natuurlijk,” zei ze stellig. “Bij mannen is het altijd seksueel.”
“Nee, dat is het niet,” antwoordde ik. “Puur uiterlijk val ik meer op Stefanie dan op jou, en toch wind jij me meer op en blijf ik van haar af.”

Sigrún incasseerde mijn woorden opvallend rustig, alsof ze erop uit was geweest een emotionele reactie bij me uit te lokken en er nu over nadacht. Daarom was ik verbaasd te zien dat haar aandacht in het vuur van ons gesprek ineens afdwaalde. Toen ik me ook omdraaide begreep ik direct waarom. Stefanie en Flaviu hadden het plan opgevat te gaan zwemmen en we aanschouwden dat ze dat zonder kleren gingen doen. Het knipoogje wat Stef me gaf maakte wel duidelijk welke intenties er wat haar betreft achter deze zwempartij zaten.

“Ik kan me voorstellen dat je op haar valt,” zei Sigrún, de vele uitdagende rondingen van Stefanies mooie lijf nastarend. “En helemaal níet dat je toch van haar afblijft.”
“We leven niet allemaal als een vulkaan,” antwoordde ik, half als grap.
Ze keek me schalks aan. “En wat vindt een niet-vulkanische Hollander opwindend aan mij, dan?” Het leek erop dat ze zich dat serieus afvroeg. “Zeg nou eens eerlijk,” sprak ze, met haar handen over haar kleren glijdend. “Mijn tieten kunnen niet tippen aan de hare, ik heb jongensheupen en ook nog veel te grote voeten.”
Nou was Sigrún geen fotomodel, maar hiermee deed ze zichzelf beslist te kort.
“Niet alleen big is beautiful, hoor,” zei ik geruststellend. “En je hebt volgens mij een heel mooi kontje.”
“Dus m’n voeten zijn echt te groot,” zei ze, geveinsd verongelijkt kijkend.
“Jezus, wat een meidenopmerking.”
Dat vónd ik ook wel, maar het was eruit voor ik er erg in had. Sigrún schoot direct in de lach en keek me waarderend aan.

“En wat is er interessant aan mij?” vroeg ik nu.
Ineens weer die blik die dwars door me heen ging. “Om te beginnen ben je niet bang voor me,” zei ze.
Dat was ik ook niet, maar toch was ik blij te merken dat mijn wat onzekerder momenten haar niet allemaal opgevallen waren.
“En verder?”
Ik zag haar dichterbij komen, een wijsvinger over mijn t-shirt glijdend.
“Verder vind ik je wel mannelijk en toch niet macho,” voegde ze er fluisterend aan toe.
Van iemand met haar directheid had ik misschien een andere voorkeur verwacht.
“Het verbaast je dat ik dat vind?”
“Nee, wel dat je daar een voorkeur voor hebt,” zei ik. “of lijkt te hebben.”
“Héb,” zei ze. “en direct zijn… betekent toch niet dat je op macho’s valt?”
“Daar heb je ook weer gelijk in,” moest ik toegeven.
“Mijn directheid is heel gevoelsmatig, ik kan gewoon niet anders. Zo voel ik, zo denk ik, zo werk ik.” Ze keek me heel mooi aan bij wat ze zei. Iets kwetsbaars in haar blik gaf aan dat ze het heel belangrijk vond. “Voor mij is de essentie van het leven de impuls, de opwelling, het idee. Dat klinkt heel oppervlakkig maar voor mij is het de puurste expressie van een mens. De ultieme uitdrukking van waar gevoel, het huidige doen en de geschiedenis en achtergrond daarvan op dat unieke moment in resulteert. Als je er nooit op let vervliegt het in een oogwenk, maar voor mij vormt het mijn wezen, mijn aard, mijn persoon.”
“Wow,” stamelde ik, inmiddels toch wel onder de indruk van de manier waarop ook voor haar alles in elkaar paste. Die was totaal anders dan voor mij, maar het had een consistentie die me boeide. In gedachten zag ik de twee schilderijen terug die ik vanmiddag gezien had. Haar blikken die dwars door mij heen konden kijken, en dat ongetwijfeld bij vele anderen ook deden. Ik hoorde een paar van haar scherp gestelde vragen weer terug. En er was niets dat ook maar enige twijfel opriep bij haar woorden van zonet.
“Op een vulkaan geboren, en dat kun je zien,” zei ik.
Ze keek me vragend glimlachend aan. “Wat?”
“Dat zei Stefanie vanmiddag over je toen ik naar je schilderijen stond te staren.”
“Hmm, Stefanie praat dus over mij,” daagde ze me uit.
“Had ze best meer mogen doen ook.”
“Mag je ook direct aan mij vragen, hoor. Alles.” Haar fel kijkende ogen maakten duidelijk dat ze dat gewoon meende. “En eh… je zei dat je naar mijn werk stond te staren? Waarom?”
“Gewoon wat het was, staren. Ik had er even geen woorden voor.”
“Net als toen je mij aanstaarde…”
“Precies, ja. En ik begin nu te snappen hoe dat met elkaar te maken heeft,” gaf ik eerlijk toe.

Haar ogen glommen van oprechte trots en ze kuste me teder, met sensueel zachte lippen.
“Dankjewel,” fluisterde ze.
“Graag gedaan, Sigrún. Nog meer wat er interessant aan me is?” vroeg ik, ons eerdere spel hernemend.
Ze grijnsde een beetje en keek me ondeugend aan. “Je hebt een stijve, Paul. Toch een beetje seksueel, hè?”
Ik grijnsde betrapt. Er was niet echt veel wat Sigrún ontging.
“Ik mocht alles vragen, zei je net?”
“Ja hoor, alles.”
“Hoe zit dat bij jou?”
“Tja,” fluisterde ze, me uitdagend aankijkend. “Daarvoor zou je mijn slipje moeten uittrekken.”
“Dat ga ik zo ook doen,” antwoordde ik met bonzend hart. “Maar hoe zou je het zelf onder woorden brengen?”
Ze kneep weer met haar ogen waardoor haar blik iets katachtigs kreeg. “Daarnet tamelijk nat,” antwoordde ze zonder enige schaamte. “Maar nu ineens veel meer. Je stelt lekker geile vragen.”
“Ik kan niet meer anders, denk ik.”
“Nu niet meer denken, Paul…”

Het rondje om het meer begon met een pad dat eerst door kleine bosjes leidde en daarna uitkwam op een aan het oog onttrokken grasveldje. We waren er plotseling naar toe gerend, wel wat tot verbazing van degenen rond het kampvuur. Eenmaal in de bosjes stopten we af en toe om sensuele kusjes snel tot hongerige diepe zoenen te laten worden. Bij het veldje aangekomen drukte Sigrún zich hard tegen me aan, haar heupen persend tegen een nu al pijnlijk harde erectie. Ze klauwde met haar nagels langs mijn ruggengraat omhoog, tegelijk mijn t-shirt meenemend. Met een gulzige ruk ging het over mijn hoofd en ze liet het achteloos op de grond vallen terwijl ze me vurig aankeek. Dat bleef ze doen terwijl ik haar truitje omhoog deed, mijn handen vol in haar borsten grijpend. Haar adem stokte toen ik haar harde tepels tussen mijn vingers rolde en stevig kneep. Sigrún antwoordde door een been in mijn kruis omhoog te duwen en hard te wrijven. Een ogenblik later had ik haar truitje over haar hoofd gerukt en stonden we diep in elkaars ogen starend aan elkaars broek te frunniken. Ons ademen werd zwaarder. We zweepten de lust op door elkaar steeds aan te blijven kijken terwijl we elkaar hongerig ontdeden van de resterende kleren. Gulzig kussend schopten we allebei onze spijkerbroek en onderbroek uit en drukten onze naakte lichamen met een luide kreun tegen elkaar. Ik voelde haar trillen toen ze mijn billen vastgreep en me tegen haar warm gloeiende kut aandrukte. Ze kuste me plotseling, lang en diep en hijgend in mijn mond uitademend, haar met passie grijpende handen schijnbaar overal over mijn naakte lijf. De kus eindigde even abrupt als hij begonnen was. Sigrún keek me bijna nadenkend aan, alsof ze een besluit nam. Toen liet ze zich achterover zakken en wenkte me met haar ogen terwijl ze haar benen wijd gespreid hield.

Ik drukte mijn handen op de hare en ging op handen en knieën steunend boven haar hangen, mijn kloppende stijve plagend tussen haar smachtend kantelende heupen maar slechts af en toe haar glinsterende kutje rakend. Sigrún keek me vuurspuwend aan, grommend van opwinding en telkens een kreunende zucht slakend wanneer ik mijn eikel tegen haar klitje wreef. Ik staarde haar schijnbaar onbewogen aan, maar bleef doorgaan met haar pareltje te plagen, onderwijl door mijn armen zakkend en een van haar natgelikte tepels tussen mijn tanden omhoog trekkend. Ik trok door tot de tepel tussen mijn tanden door schraapte en onder klagend gesteun terugschoot. Daarna werkte ik me naar de andere tepel, tussendoor mijn tong nat over haar borsten likkend. Sigrún onderging de erotische kwelling met steeds hongeriger heupen.
“Verdomme, Paul, hoe geil wou je me hebben?” hijgde ze.
Elke keer wanneer mijn eikel haar klitje verder opwond, kwamen ze draaiend en zoekend omhoog, met steeds harder vlammende passie en met een bijna gefrustreerd kreunen wanneer ik heel even haar gezwollen schaamlippen raakte en direct daarna terugtrok.
“Rotzak,” beet ze me met geile ogen toe. “Neuk me nou…”

Ik stond eigenlijk nu al op springen maar genoot intens van de kleine revanche die ik op haar aan het nemen was. We bleven elkaar aankijken. De vlammende blik van haar nu bijna lichtgevende ogen brandde in de mijne, schaamteloos starend terwijl haar kut wanhopig zocht naar de verlossing van mijn pik. Nog eenmaal plaagde ik haar, toen gleed ik mijn eikel tegen haar gloeiend warme schaamlippen. Ik wachtte even tot ze haar heupen omhoog drukte en stootte toen met een diepe kreun. Heel even schokte ze verward, maar al snel werd ik omklemd door haar meedogenloos knedende spieren. Ik zag een triomfantelijke grijns op haar gezicht verschijnen. Het leek er sterk op dat mijn revanche een nieuwe aanval inluidde, en het was er eentje waarvan ik vreesde dat ie ging lukken. Ik grijnsde terwijl ik haar aankeek en haar onbeheersbaar opwindende wraakactie onderging. Ik zag haar vingers naar beneden glijden en plots hard over haar klitje wrijven. Terwijl ik me met steeds snellere heupbewegingen naar het onvermijdelijke hoogtepunt kreunde, vingerde Sigrún zich klaar om de snelle krampbeweginkjes van haar exploderende kutje het laatste zetje te laten geven. Haar timing bleek geweldig. Op het moment dat ik haar smachtend uitgestoten ademteug in mijn gezicht voelde, schokte haar verkrampend pulserende kutje me hulpeloos door de laatste remmen. We drukten onze monden op elkaar en schreeuwden het uit in elkaars keel, hongerig zuurstof door de neus binnenzuigend terwijl we op elkaar lagen te schokken.

Ik weet niet hoe ze het klaarspeelde maar haar spieren bleven me kneden en bleken in staat om mijn erectie nauwelijks te laten verslappen, wat ik met opgeluchte verbazing liet gebeuren. Onderwijl keek ze me aan alsof ze het er allemaal om gedaan had, wat ook al snel zo bleek te zijn.
“Zo, nou is de druk er wat van af. Hoef je je niet meer zo in te houden. Dat is veel lekkerder,” fluisterde ze, tegelijk stevig knijpend en haar heupen snel onder me bewegend.
Op het moment dat mijn hardheid weer op niveau was, draaide ze zich bliksemsnel onder me uit en ging op me zitten. Sigrún bewoog nu telkens heel langzaam omhoog en drukte zich daarna hard over me heen, elke keer een diepe kreun slakend en onder zichzelf doorkijkend om te aanschouwen hoe mijn vochtig glimmende pik in haar verdween. Het deed haar onderlip trillen, wat bijna ontroerend was om te zien. Diep hijgend voerde ze het ritme steeds verder op, haar spieren nu alleen gebruikend wanneer ze omhoog bewoog en volledig ontspannend wanneer ze zich steeds harder over mijn kloppende paal heen drukte. Ik had haar bij haar haren vast en trok er stevig aan bij elke zijgbeweging van haar druipende kutje. Aan haar intense blik was ik inmiddels wel gewend, maar toch viel het me op met welk een gespannen opgewonden blik ze zichzelf gadesloeg. In antwoord op mijn ritmisch omhoog stotende heupen voerde ze de frequentie verder op, met steeds luider wordende hese kreetjes.

“Hoe lang blijf je hier?” vroeg ze ineens.
Ik kon nauwelijks verstaanbaar “twee dagen” uitbrengen en ik zag haar gezicht even betrekken.
“Fuck, wat kort. Dan gaan we maar onafgebroken neuken.”
Ik zag hoe ze zich weer begon te vingeren terwijl ze hijgend naar mijn glimmende pik staarde. Het leek me niet dat ze er nu in geïnteresseerd was dat ik eigenlijk Stefanie was komen opzoeken, maar ik werd al snel verrast.
“Je vriendinnetje heeft Flaviu,” ging ze hijgend verder. “Die vindt het vast niet zo erg.”
Ik wilde vragen hoe ze dat wist, maar het antwoord kwam voordat ik een woord had kunnen uitbrengen.
“Ik heb die twee al de hele week bezig gezien,” bracht ze steunend uit. “Die liggen nu te seksen, dat kon ik aan Stefanies ogen zien.”
Sigrún leek zonder het knipoogje van Stefanie tot dezelfde conclusie als ik te zijn gekomen.
“En als zij lekker neuken, dan kunnen wij dat toch ook?”

Ze zette haar bewering kracht bij met een paar krachtige laatste bewegingen van haar heupen. Toen kwam ze kermend klaar en sopte haar druipende kutje met passie schokkend over mijn pijnlijk geile erectie.
“Mmm, ja. Twee dagen lang met je neuken, alleen maar neuken,” bracht ze hijgend uit. “Wat vind jij daarvan?”
Het zou me van iedere vrouw verbaasd hebben dat ze al pratend klaarkwam, maar bij Sigrún verbaasde me inmiddels helemaal niets meer. Ook niet dat ze gewoon door bleef praten terwijl ze me een tweede keer door mijn dapper falende beheersing trok.

“Twee dagen, met mij op een vulkaan, Paul. Ga je mee?”

 

London, 15 April 2010

“Meneer? Meneer?”
De keurig klinkende stem klonk uit de verte.
“Hallo meneer?”

Nu ontwaakte hij me uit de trance. Ik was terug in de galerie.

“Een zeer goede middag. Hoe mag ik u helpen?” vroeg de stem.
Hij was van een vrouw die stijlvol modern gekleed was. Ik keek haar een beetje verward aan en deed een poging tot een glimlach. Hoewel de vrouw er prachtig uitzag, had ze iets bedrukts in haar blik.
“Mijn aandacht werd getrokken door het schilderij in uw etalage.”
Ik zag haar instemmend knikken. “Onwaarschijnlijk krachtig, vindt u niet?” Er verscheen ontroering in haar ogen toen ze het zei.
“Dat is heel treffend verwoord,” beaamde ik. “Hebt u wellicht ook nadere informatie over degene die het geschilderd heeft?”
“Welzeker, loopt u maar even mee.”
“En misschien hebt u ook een foto van haar?” voegde ik er wat voorzichtig aan toe.
Ze hield in en keek me aan.
“Het is mogelijk dat ik haar ken, van jaren geleden,” probeerde ik me te verduidelijken.
Haar blik werd onderzoekend, en even leek ze te twijfelen over haar volgende woorden.
“Kendé,” sprak ze toen op droeve toon.

Er ging een schok door me heen. Die werd tot een dreun toen ze wees naar een grote poster die aan de achterzijde van de ruimte aan de wand hing. Lichtgevend felblauwe ogen op de portretfoto keken me aan, zo indringend dat ik me weer in Tatabánya waande. Maar het hardst werd ik geraakt door cijfers achter haar naam:

Sigrún Hallbjornsdottir (1978-2010)

“Ze leeft niet meer… ,” prevelde ik, starend naar de wand.
Ik had een brok in mijn keel. Twee dagen slechts had ik haar ooit meegemaakt, dertien jaar geleden. Maar mijn ogen werden spontaan vochtig.
“Ja, ze is dood. Mag ik misschien vragen… hoe u haar gekend hebt?” informeerde ze met zachte stem.
“Tatabánya, een stad in Hongarije, tamelijk lang geleden,”antwoordde ik verdoofd. “Ik stond eraan te denken zojuist.”
Ze knikte, nu begrijpend waarom ze me een paar keer had moeten roepen. “Negentienzevenennegentig,” vulde ze zacht sprekend aan.
Haar treffende toevoeging ontging me; ik was nog in gedachten verzonken. “Ik heb haar daar maar twee dagen meegemaakt,” mompelde ik. “En ze heeft een onuitwisbare indruk bij me achtergelaten.”
“Twee dagen?” herhaalde ze voorzichtig.
Ik knikte zonder er iets achter te zoeken. Daardoor ontging me de frons die op haar voorhoofd verscheen.
“En u komt uit Nederland?”
Dat ontwaakte me echt uit mijn mijmering. “Ja, inderdaad. Maar… hoe kunt u dat weten?”
“En het schilderij in de etalage…?” vroeg ze met iets van ontzetting.
Ik onderbrak haar. “U verkóópt niet alleen Sigrúns werk, nietwaar?”
Ze glimlachte, een opwellende traan in haar ogen. “Ik verkoop het liever niet zelfs, … Paul.”

Nu moest ik even naar adem happen.

“Mogen we gaan zitten?” vroeg ik.
“Laat me dan eerst even sluiten,”zei ze rustig. “Dat was ik al eerder van plan, maar iets zei me dat ik het niet moest doen.” Ze liep even weg, draaide de toegangsdeur in het slot en liep rustig terug naar de bank waar ik was gaan zitten. “Het is goed dat ik mijn gevoel gevolgd heb,” zei ze met een merkwaardige berusting.

Ze heette Catherine, vertelde ze, en ze was twaalf jaar Sigrúns geliefde geweest. Tot haar dood. Ik hoorde dat Sigrún zelf een einde aan haar leven had gemaakt omdat ze niet de afhankelijkheid wilde meemaken van een slopende spierziekte waaraan ze bleek te lijden. Die zou haar uiteindelijk volledig hulpbehoevend maken, en dat wilde ze per se niet. “Ik had Sirra, dat was haar koosnaam voor mij, met alle liefde verzorgd,” legde Catherine uit. “Maar voor haar persoonlijkheid bestond zo’n keuze niet.”
Ik kende Sigrún slechts van een paar dagen, lang geleden. Maar dit kwam me volstrekt begrijpelijk voor.

“Ze zou nog best een paar jaar gehad hebben,”ging ze verder, “maar toen ze begin dit jaar in een rolstoel belandde en haar handen niet meer deden wat haar geest wilde, bracht ze mij ervan op de hoogte dat het moment naderde. Ik wist toen ik haar leerde kennen al dat ze die ziekte had, en we hebben er vaak en veel over gepraat.”
“Hoe lang had ze die al, dan?”
Ze keek me voorzichtig aan. “Vlak voor ze naar Hongarije ging had ze het te horen gekregen.”
“Jezus,” stamelde ik. “mij heeft ze toen niks verteld.”
“Ze heeft het de eerste jaren aan niemand verteld, zelfs niet aan haar familie,” zei ze troostend. “Ik was de eerste aan wie ze het opbiechtte.”
Ik staarde triest voor me uit.
“Maar de werken die Sirra in Tatabánya heeft gemaakt, behoren tot de meest intense uit haar oeuvre.”
“Ik heb er daar twee zien hangen,” wist ik me te herinneren. “En ik werd er stil van.”
“En het derde hangt in de etalage,” vulde ze instemmend aan. “Ze heeft me haar verblijf daar later beschreven als een enorme eruptie van creativiteit, gevoed door wat ze net daarvoor te horen had gekregen.”
Ik merkte dat ze even inhield en keek haar aan.
“En daarnaast gevoed door een zekere periode van twee dagen.”
Ik glimlachte verlegen. “Dat meen je niet.”
“Oh, jazeker meen ik dat,” zei ze stellig. “Ze heeft me er elk detail van verteld; haar enige ervaring met een man.”
“Enige?”
Catherine knikte. “Het zou heel goed kunnen dat ze jou dat niet verteld heeft, toen… maar Sirra was lesbienne.”
Ik keek haar fronsend aan. “Lesbienne? Ik val hier van de ene verbazing in de andere.”
“Dat kan ik me voorstellen, ja. Toch was dat zo, Paul.”

Alles in haar oprechte blik vertelde me dat ze de waarheid sprak. En ergens diep vanuit mijn herinnering borrelde er wel iets op van gevoelens bij Sigrún die ik toen niet helemaal kon plaatsen. Dat ze iets van me leek te willen en tegelijk niet helemaal echt in me geïnteresseerd leek, ondanks al ons heftige gevrij. Iets aparts in haar blik toen ik voor het eerst bij haar binnenkwam. Haar oprechte verwondering toen ze keek naar hoe ze zich over me heen perste. Het viel in elkaar als plotseling passende puzzelstukjes.

“Vond ze er dan wel iets aan?” vroeg ik me nu hardop af, plotseling ook weer twijfelend aan mijn eigen woorden. Het leek me stug dat iemand als Sigrún ooit iets zou hebben gefingeerd. “En heeft ze ooit iets verteld over waarom ze dan met mij heeft gevreeën?” Ik werd nu ook wat behoedzaam in mijn vloed aan vragen. “Sorry dat ik er zo op los vraag. Ik kan me voorstellen dat dit onderwerp onaangenaam voor je is?”
“Nee, dat is het niet echt,” zei ze. “En op je eerste vraag: ja, ze wilde het graag en ze heeft me vaak verteld dat ze het ongemeen heftig vond.”
Ik zag haar glimlachen om mijn zichtbare instemming.
“Dat vertelt dat schilderij ook wel, trouwens,” zei ze.
Haar woorden voerden me terug naar mijn eerste aanblik ervan. “Ik kreeg er kippenvel van toen ik het zag,” zei ik. “En mijn hart sloeg over toen ik zag hoe het heette.”
“Sex with Paul 1997,” zei ze met een glimlachje. “Sirra heeft er in … eh dameskringen zoveel opmerkingen over gehad dat ze er wel eens gek van werd. Maar ze is de ervaring nooit afgevallen, nooit.” Ze keek me indringend aan terwijl ik slikte. “En over het waarom: nadat ze gehoord had dat haar leven veel korter ging zijn dan waar ze op gerekend had, wilde Sirra álles een keer gedaan hebben. Alles, en dat was nogal veel. Daar is ze mee begonnen in Tatabánya en ze heeft het volgehouden tot ze echt niet meer kon.”
“En ik was de ervaring met een man,” mijmerde ik.
“Precies, dat was jij. Ze wist al op haar veertiende dat ze op vrouwen viel. Ze heeft vóór jou nooit iets met een man gehad, en na jou ook niet.”
“Jezus, een mens kan zich vergissen,” mompelde ik, half in gedachten. “Ik had de indruk dat ze mannen verslónd. Ik voelde me nogal klein bij haar.”
“Sirra verslond heel veel, maar jij was de enige man,” zei Catherine stellig. “En dat je je door haar overvleugeld voelde, daar was je niet de enige in…”
“Dan zul je geen gemakkelijke relatie met haar gehad hebben,” zei ik.
“Dat is voorzichtig geformuleerd,” mijmerde ze. “Ze leefde zo intens op haar gevoel. Zo ontzettend heftig. Ik kon haar meestal niet bijhouden, maar ik kon tegelijk niet anders dan het blijven proberen. Op het moment dat ik haar ontmoette ben ik als een blok voor haar gevallen, en dat is altijd zo gebleven.”

Mijn eigen gevoelens van dertien jaar geleden kwamen ineens weer in me op. Zo had ik mijn vallen voor haar ook beleefd. Ik hield het voor me tegenover een vrouw die Sigrún zoveel beter had gekend dan ik. Maar het trof me wel.

“Ze heeft zich ernstig lijden bespaard met haar beslissing?”
Catherine zuchtte diep. “Zichzelf wel, mij niet,” antwoordde ze aangedaan. “Maar ik heb er vrede mee. Het moest zo zijn.”
“Het moest zo zijn. Dat soort woorden gebruikte ze zelf ook, ja,” mijmerde ik. Ik schrok van haar reactie. Haar ogen leken vuur te krijgen.
“Daar heeft ze jou iets over verteld?”
“In het voorbijgaan, ja,” antwoordde ik, onzeker door haar plotselinge emotie. “Ik weet niet meer wat de aanleiding was, maar ze vond onze ontmoeting voorbestemd.”
“Ga verder?”
Ik haalde mijn schouders op. “Verder niets eigenlijk. Alleen dat ik haar toen iets moest beloven. Dat ik aan haar zou denken als ik haar bestemming ooit weer tegenkwam, of iets van die strekking.”

Dat ben ik dan nu aan het doen, dacht ik, maar sprak het niet uit omdat ik Catherine zwaar geëmotioneerd zag slikken.

“Ik denk dat je dan… nóg iets moet weten,”zei ze.” Al zal me dat heel veel moeite kosten.”

Ik luisterde naar een hortend uitgebracht relaas over de weken naar Sigrúns finale beslissing. Over hun laatste vakantie naar IJsland, waarvoor Catherine een retour had geboekt en Sigrún een enkele reis. Over een allerlaatste dag van liefdevol vrijen, de dodelijke cocktail van pillen die ze via een vriendin die arts was had geregeld. En over haar inslapen, bijna zes weken geleden. De vrouw die mij dit vertelde kende me nauwelijks. Het was hartverscheurend om te zien hoeveel pijn die nog zo verse diepe wonden deden. Tegelijk was het beklemmend om de vastberadenheid te aanschouwen waarmee ze me iets wilde vertellen wat ik blijkbaar echt moest weten.

“Sirra’s laatste wil was om haar as op IJsland te verstrooien. Op haar geboortegrond waar we naar waren teruggekeerd.” Haar onderlip trilde. “Dat heb ik ook inderdaad gedaan… ” Even hield ze in, haar vuisten ballend. “En ik heb het… gisteren gedaan,” vervolgde ze stamelend.
Er ging opnieuw een schok door me heen.
“Ik ben er speciaal voor op en neer gevlogen en ben gisteravond met de laatste vlucht uit Reykjavik teruggekomen.”
Ik luisterde ademloos naar haar woorden.
“En toen ik gisteren thuiskwam, stond het schilderij dat nu in de etalage hangt weer in mijn zaak,” ging ze aarzelend verder.
“Weer?” Er maakte zich geleidelijk iets onwerkelijks van me meester.
“Ik had het verkocht,” legde ze uit. “Met pijn in m’n hart, maar de zaken gaan momenteel slecht en ik had het geld echt nodig.”
Ik knikte kort.
“Maar gisteren was het terug, met een kort briefje erbij dat de koper er toch van af wilde zien.”
Mijn gevoel van onbehagen werd sterker toen ze me vragend bleef aankijken.
“Ik neem aan dat jij vandaag niet hier had behoren te zijn?” vroeg ze met een merkwaardige zekerheid. Mijn ontkennende antwoord verbaasde haar niet. Catherine knikte en voelde zich zichtbaar niet op haar gemak. Ik inmiddels ook niet meer.

“Je vertelde dat je haar as had verstrooid…gisteren?”
Ze keek me bedrukt aan.
“En… waar was dat, Catherine?”
Er verscheen huivering in haar ogen. “Op een vulkaan. Ze had tenslotte geleefd als een eentje…”
Er ging een rilling over mijn rug.
“Ik mocht er eigenlijk niet op. Er was al een waarschuwing uitgegaan. Maar ik heb het stiekem toch gedaan. Het moest.”
“Het moest, ja. Bestemming,” mompelde ik .

Mijn blik werd wezenloos gestuurd naar de lichtgevend blauwe ogen op de poster. Skógar. Ergens stond die naam nog in mijn geheugen. Het dorp aan de voet van de vulkaan waarmee haar bestemming sinds haar geboorte verbonden was. De bestemming waar ik geen woord van geloofde. Waar ik volgens haar wel deel van uitmaakte, twee dagen. Die ik achteloos beloofde te gedenken als ik hem ooit nog eens tegen kwam. Bestemming die ze me nu openbaarde, in haar dwars door me heen priemende ogen. Via de ongeremde kracht van het natuurfenomeen dat haar persoon vormde. En langs een niet te bevatten aaneenschakeling van schijnbaar ongerelateerde gebeurtenissen die haar geliefde, het schilderij en mij hier vandaag bij elkaar brachten. Schijnbaar.

De orde.

Mijn maag verwrong in een ijzige beklemming.
“Mijn God…oh, mijn God…,” stamelde ik.
Catherine staarde verdoofd voor zich uit en prevelde de naam in langzaam uitgesproken delen.

“Eyja… fjalla… jökull.”

Toen begon ze te huilen.

 

© PaulX 2010

Alle werken van: PaulX

Fijn verhaal 
+13

Reacties  

Geen woorden voor, Prachtig.
Slechts één woord... Briljant!
Veel meer dan alleen een erotisch verhaal.
Schitterend (en) literair hoogstandje!
Ik had dit verhaal al eens ergens anders gelezen, maar het blijft een prachtige vertelling!