Wonderlijke winterwandeling

Informatie
Geschreven door Vanille
Geplaatst op 11 februari 2020
Hoofdcategorie Verleiding | Heteroseks | Overspel
Aantal reacties: 1
2345 woorden | Leestijd 12 minuten

Het valt jou toch ook op dat je in de winter zo vaak handschoenen en wanten vindt? Gewoon op straat, langs het fietspad, op een parkeerplaats, op het station. Meestal is het er maar eentje. Zo zielig vind ik dat dan voor het andere exemplaar. Die moet dan voor de rest van de tijd alleen door. Met de constante dreiging opzij te worden gelegd, omdat het in zijn eentje natuurlijk niet zo functioneel meer is. Het is een groot verlies je wederhelft te moeten kwijtraken, zo’n handschoen maakt een rouwproces door. En belandt zelf na enige tijd in een textielbak, of erger, in de vuilcontainer. Uiteraard is het ook vervelend voor de eigenaar, de drager. De kou zal maar opeens invallen, dan zit je toch verschrikkelijk onthand. Koude fikken, winterhanden, kloven. Doffe ellende, dus.

Het had licht gevroren toen ik de linker handschoen vond. Het was een eenvoudige zwarte, van dunne stof, een klein maatje. Een vrouwenhandschoen. Ik keek het bospad af. Een ragfijn laagje rijp bedekte de afgevallen bladeren. De eerste stralen van de zon gleden langs de bomen. Het pad was verlaten, de eigenaresse van de handschoen afwezig. Misschien lag de handschoen er al dagen, hoewel me opviel dat er zich geen rijp op had afgezet. Zorgvuldig bekeek ik het ding van alle kanten, zag niets bijzonders en stak het in mijn zak. Misschien kon ik het neerleggen op een bankje en zou de handschoenmisseres het toevallig terugvinden. Misschien kwam ze zo wel teruglopen, op zoek. Maar ik was alleen en bleef alleen. Er kwam niemand en er kwam geen bankje.

Toen het pad scherp naar rechts afboog, zag ik de tweede handschoen, de rechter. Hangend in een struikje. Het leek een wuivend handje, nee, een wenkend handje. De middelvinger had een gaatje op de top. Ik kon me niet bedwingen, ik rook aan het textiel. De geur van buiten, de geur van bos. Ik hield de twee exemplaren in mijn hand. Ja, ze vormden een paar. Op het gaatje na zagen ze er nog als nieuw uit. Ik stopte ze samen in mijn zak, gezellig tegen elkaar aan. Een verloren stelletje, hand in hand.

Het werd nog gekker. Nog geen tien meter verder lag een sjaal dwars over het bospaadje. Een donkerbruine, een beetje stug. Ik raapte het op en keek om me heen. Hoe kon iemand haar handschoenen en sjaal verliezen? Dat merkte je toch? Dat voelde je toch aan de kou? Ook de sjaal bracht ik naar mijn neus. De wol kriebelde. Het verspreidde de geur van een zoete eau de toilette. Ik zag de ranke hals waar het omheen gedrapeerd had gezeten. De lange nek die het hoofd liet draaien. Besluiteloos stond ik met de sjaal in mijn hand tussen de bomen. Het was stil op het ritselen van een enkel blad na.

De sjaal bungelde half uit mijn jaszak toen ik doorliep. Ondanks de vorst had ik het niet koud. Mijn adem ontsnapte grijs uit mijn neusgaten. Toen hield ik in. Dat was onmogelijk. Handschoenen en een sjaal waren tot daaraantoe. Maar een schoen? Een witte sportschoen! Hij lag er echt, op zijn kant, blauwe zool, witte veters, kleine maat. Hoe kun je verder zonder schoen? Ja, het kan, maar op een vochtig bospad in de kou? En een schoen verlies je niet zomaar. Wat was dit? Wat was hier aan de hand? Ik maakte me zorgen. Ik hurkte bij de schoen en raapte hem op.

Ik wist het: het kon een koffer zijn, een koffer die openstond en waaruit... Of nee, een rugzak, de rits half open en... Ik schudde mijn hoofd. Onzin. Er lopen geen wandelaars door het bos die kledingstukken droppen, zoals Kleinduimpje zijn steentjes. Je moest het toch merken als je kledingstukken vielen als bladeren in de herfst? Tenzij degene aan wie alles toebehoorde niet bij kennis was. Of dood. Ik schrok van mijn gedachten. Dood? Werd er met een lijk door het bos gezeuld? Ik bekeek het pad met argusogen. Waren dat sleepsporen? Het zou kunnen. En, o god, daar lag nog een schoen!

De schoenen zagen er spiksplinternieuw uit, de zolen nauwelijks aangedaan door vuil, de voetbedden zacht en comfortabel. Ze waren licht, ik had twee vingers nodig om ze te dragen. Werd het geen tijd om de politie te bellen? Mijn telefoon lag thuis. Ik moest dus door, maar maakte me zorgen over wat er nog meer op mijn pad kon komen. Dat er iets zou komen was bijna zeker. En ja, na nog geen 100 meter verder, langs het heideveld, vond ik witte sokjes, verderop een gewatteerde zilverkleurige jas. Er zat een natte zakdoek in de jaszak, alsof de neus nog niet zo lang geleden gesnoten was.

Mijn wandeling was ondertussen niet meer zo zorgeloos als eerst. Ik had mijn zakken en handen vol met kleren, ik was op mijn hoede, hier was iets aan de hand. Toen moest het ergste nog komen. Het gekke was, ik verwachtte dat het kwam en toch was het verwarrend toen het daadwerkelijk zo was. Aan de rand van het vennetje waarover een flinterdun ijslaagje lag, hing een broek in een berk. Een gebleekte spijkerbroek. Ik trok het ding aan de pijpen omlaag. Met het vallen rolde er iets roods op mijn hoofd. Ik wist meteen wat het was, het kon niet missen. Zelden had ik zo’n klein stringetje in mijn handen gehad. Ik trok het strak, alsof ik het op elasticiteit wilde testen. Het kruis was zo minuscuul, dat ik me nauwelijks kon voorstellen dat het kon verbergen wat het verbergen moest.

Met een schok realiseerde ik me wat er aan de hand was: ik was hier getuige van een zedenmisdrijf! Onnozele die ik was. Met die romantische hersenspinsels over kwijtgeraakte handschoenen. Hier was iemand moedwillig van haar onderbroek ontdaan. Met alle dramatische gevolgen van dien. Ik doorzocht de zakken van de spijkerbroek. Niets, op een pepermuntje na dat ik nadenkend in mijn mond stak. Ik moest op mijn hoede zijn, misschien was ik bijna gearriveerd op de plaats delict. Ik maakte me ongerust over wat ik aan zou treffen.

Het bruine truitje zag ik bijna over het hoofd door de schutkleur. De bh, net zo rood als de string, een ding met ruches en flinke cups, hing als een dartele slinger in een meidoorn. Totaal ongepast onder de verdachte omstandigheden. Geconcentreerd speurde ik de omgeving af. Ik stond op een vijfsprong en besloot linksaf te slaan, het meest duistere pad op. De zon had hier geen schijn van kans. De geur van verrotte bladeren overheerste.

Het lichtje dat in de verte opdoemde, leek mij in eerste instantie schijn. Aangezien het aanhield, wist ik dat ik iets op het spoor was. Behoedzaam, schuilend achter boom na boom, naderde ik de plek van het schijnsel. Als iemand mij daar op dat moment zou zien, mijn zakken en handen vol vrouwenkleding, was dat op zijn minst verdacht geweest. Ik kwam gelukkig niemand tegen. Tot mijn stomme verbazing ontdekte ik dat het schijnsel afkomstig was van een huisje verscholen in het struikgewas. Als er geen lampje had gebrand was ik er zo aan voorbijgelopen. Met kloppend hart sloop ik naderbij. Ik zette me schrap.

Dat bleek onnodig, het tafereeltje dat ik aantrof achter de beduimelde ramen verraste me aangenaam. Het gele licht van kleine lampjes straalde warmte uit. Een heus knapperend haardvuur waarvoor een berenvel was uitgespreid benadrukte de sfeer van behaaglijkheid. Maar waarom ik het zelfs daarbuiten in de vrieskou echt warm kreeg, was de persoon die lui languit lag op het berenvel, haar hoofd schuin omhoog tegen de berenkop. Ze was heel erg naakt en mooi, en was bezig met een handeling die mijn hart sneller liet kloppen en mijn zwellichamen vol liet lopen. Instinctmatig duwde ik mijn plots gezwollen kruis tegen het raamkozijn.

Tijdens mijn gluren vielen de puzzelstukjes op hun plek. Opeens begreep ik het hoe en waarom van de kledingstrooierij: het was bedoeld om naakt te zijn. Om hier in het fijne warme huisje de hand aan eigen kruis te slaan. De vinger in zichzelf te steken. Ik voelde met haar mee, deze weelderige nimf op de berenhuid. Met mijn neus tegen de ruit gedrukt vroeg ik me af of ik van dienst kon zijn daarbinnen. Voordat ik betrapt zou worden als enge gluurder, tikte ik vrijpostig op het raam. De vrouw stopte geschrokken met haar prikkelende beroering en keek met opengesperde ogen naar het raam. Toen ze me zag gleed er meteen een brede glimlach over haar gezicht. Als je op heterdaad betrapt wordt, kun je maar beter toegeven.

Ze stond op. Mijn mond viel open van verbazing. Nooit, ik herhaal, nooit, zag ik een mooiere vrouw als deze. Ze was donker met zwarte haren. Haar gezicht was van een perfectie die slechts in dromen voorkomt. Dat neusje, die lippen, die hypnotiserende ogen! Haar slanke hals - die van de heerlijk geurende sjaal inderdaad - ging over in een paar oogverblindende, gebronsde borsten met tepels als dadels zo groot. Daaraan te mogen zuigen scheen mij een hemelse gebeurtenis toe. De slanke taille, de welving van haar buik, het oogstrelende naveltje, de glooiing van haar heuvel die het beklimmen waard was. Het toefje schaamhaar en, oh, goddelijk, goddelijk, goddelijk, haar vulva in de vorm van de aantrekkelijkste verticale glimlach ooit door mensenogen aanschouwd. Zelden was mij een hardere erectie overkomen. Ik kon niet anders dan mijn stijve ritmisch en ordinair langs het houtwerk schurken. Het moge duidelijk zijn, ik had mezelf niet helemaal meer in de hand. Of anders gezegd: helemaal niet meer.

Ze naderde het raam, onze lichamen waren slechts door enkel glas gescheiden. Ze kon me niet buiten laten staan, ik moest bij haar de warmte in. Waar was de deur? Ze moet de vraag op mijn gezicht gelezen hebben, want ze opende het raam. Een ding was meteen duidelijk, daar kon ik niet door naar binnen. Ze boog voorover naar de kier, haar volle borsten bewogen wulps heen en weer. Een kettinkje met een gouden kruisje bungelde mee.
‘Ik ik ik heb je kleren,’ stamelde ik stuntelig en ik duwde haar jas en broek en al het andere door de opening naar binnen. Ze gooide de spullen nonchalant op een stoel. Als laatste stond ze met haar handschoenen in haar handen.
‘Mag ik, zou ik alsjeblieft naar bi...?’
‘Kom je even binnen?’ onderbrak ze me, ‘lekker liggen bij het haardvuur.’ Ze keek me met haar zwarte ogen indringend aan. ‘En misschien een beetje meer?’ Haar knipoog was vet.

‘Hoe?’ Het moest hebben geklonken als een wanhoopsschreeuw. Ze keek begripvol, ze kwam met een oplossing.
‘Hier het pad af en dan driemaal rechts. Dan sta je voor de deur. Maak voort, maak voort!’ Ze trok het raam dicht, het startschot voor mijn sprint. Ik had geluk, ik was een hardloper, mijn hele leven al geweest, met mijn conditie zat het snor. Een finish in de armen van die vrouw gaf me vleugels. Hoe verhit ik ook was, mijn handen voelden koud. In de haast moest ik mijn handschoenen zijn verloren. En mijn sjaal, waar was die? Er was geen tijd om terug te keren, ik moest door. Na afloop zou ik wel gaan zoeken.

Ik sloeg rechtsaf een smal donker paadje in. Takken zwiepten in mijn gezicht, boomstronken bemoeilijkten de sprint.  Mijn rechterschoen viel spontaan van mijn voet. En mijn jas, mijn dikke winterjas, waar was ik die kwijtgeraakt? Op één schoen en één blote voet strompelde ik verder. Het leek verdorie wel of ik in mijn T-shirt liep. Ik had vanmorgen toch echt een dikke trui... ik dook nogmaals rechtsaf. Was dit de tweede of de derde keer? Waar bleef die deur? Waar bleef dat naakte schatje dat willig op me wachtte voor het haardvuur? Mijn god, wat voelden de dorre bladeren koud onder mijn blote voeten. Mijn naakte benen liepen talloze schrammen op in het kreupelhout. Maar ik moest door. Ik had alleen nog maar een onderbroek aan. Maar ondanks de kou en ondanks de barre renpartij hield mijn erectie meer dan stand.

Nadat ik nogmaals rechtsaf was geslagen passeerde ik een dame die haar poedel uitliet. Toegegeven, het moet een merkwaardig gezicht zijn geweest om in de vroegte in de vrieskou een naakte man voorbij te zien rennen met een stijve als een beukenboom. Toen ik achterom keek, zag ik haar door haar telefoon praten, de ogen bestraffend op mij gericht. Maar ik kon niet anders, ik was in de greep van de lokroep van de vrouw in het huisje. Zij wilde mij, ik wilde haar. Niets, maar dan ook niets, stond ons in de weg de paringsbeker tot de laatste druppel leeg te drinken. Ik sloeg weer rechtsaf.

Het was niet goed, ik moest ergens verkeerd zijn afgeslagen. Ik naderde rennend een weg waar auto’s reden. Nog voor ik op mijn schreden terug kon keren stopte er vlak voor mijn neus een politieauto waaruit direct een agente sprong.
‘Staan blijven!’ riep ze kordaat. ‘Het is veel te koud om zo rond te lopen.’ Naast kordaat bleek ze zorgzaam. Nog geen twee seconden later had ze me ingepakt in een heerlijk warme deken met het politielogo. En mocht ik plaatsnemen op de achterbank van de warme politieauto. Ze sloot het portier en stapte aan de andere kant zelf in. Haar collega, een man met een snor, startte de auto.

‘Waar brengen we u naartoe, meneer?’
Ze glimlachte en zette haar pet af. Ze had een prachtige donkere huid en zwart haar. Hoewel ik haar niet meteen thuis kon brengen kwam ze me bekend voor.
‘Nou?’ hield ze aan.
Ik wist het niet, ik wist bij god niet waar ze me konden brengen. Ik kon mijn ogen niet van haar af houden, dat neusje, die lippen, die hypnotiserende ogen. Opeens wist ik het. En zij wist dat ik het wist. Ze ritste haar politiejack los. Ze droeg een kettinkje met een gouden kruisje. Haar gebronsde borsten hadden tepels als dadels. Ze trok het jasje uit. Ik mocht zuigen, zachtjes zuigen, terwijl haar hand in de deken mijn stijve mannelijkheid vond en er zachtjes aan trok.



Alle verhalen van: Vanille

Fijn verhaal 
+7

Reacties  

Spannende, geduldige én nieuwsgierig makende opbouw naar een ontknoping die ik in geen honderd jaar zag aankomen!
"De politie is uw vriend" … Daar twijfel ik na vandaag niet meer aan ;) Prachtig schrijfwerk, Vanille