6082 woorden | Leestijd 31 minuten

Rotterdam, mei 1968 

Het was een stralend zonnige en warme lentedag. De klok wees bijna vier uur toen ik de exclusieve modezaak aan de Coolsingel verliet met mijn hoofd in de wolken. Zojuist had ik een belachelijk hoge prijs betaald voor een jurk die even geleden nog in de etalage hing. Eerder die dag had ik er al gehypnotiseerd naar staan kijken, maar toen had ik nog geaarzeld. Omdat ik de komende weken niet meer in Rotterdam zou zijn, was ik op de terugweg toch naar binnen gegaan. Want stel je voor dat hij de volgende keer weg was.

Toen ik mijn spiegelbeeld bekeek, gehuld in lavendelblauw, was er geen weg meer terug. De jurk stond me weergaloos, alsof hij speciaal voor mij was gemaakt. Ik was dol op de stijl van Audrey Hepburn en voor deze kleur had ik altijd een zwak gehad. Het ontwerp accentueerde mijn borsten en billen zonder ordinair te zijn. De hals was hoog gesloten en de rok reikte over mijn knieën, maar vanwege het mouwloze modelletje en de perfect gesneden taille zag ik eruit om door een ringetje te halen. Ik vond mezelf ongelooflijk mooi en sexy. En dat op mijn leeftijd.

Voor het gemak hield ik mijn aanwinst meteen aan. Mijn lichtbruine pumps met naaldhakken, in dezelfde kleur als mijn handtas, combineerden prima bij mijn aankoop. Mijn met diamantjes bezette gouden sieraden pasten gelukkig overal bij. De verkoopster verwijderde het prijskaartje terwijl ze een jaloerse blik over mijn figuur liet glijden. Ik deed alsof ik het niet merkte, haalde mijn portemonnee tevoorschijn en telde het vereiste aantal biljetten uit op de toonbank.

"Laat het wisselgeld maar zitten."

Ze boog als een knipmes. "Dank u wel, mevrouw."

Tenslotte gaf ze me het bonnetje en een tasje met de kleding waarmee ik was binnengekomen.

"Tot ziens."

Bij de deur controleerde ik nog snel of mijn kapsel en make-up geen schade hadden opgelopen tijdens het omkleden. Ik stond mezelf geen slordigheden toe. Het totale plaatje moest kloppen. Met een Mona Lisa glimlach om mijn mond vervolgde ik mijn weg naar het Centraal Station.

Mijn nieuwe jurk had meteen het gewenste effect. Ik voelde blikken van zowel mannen als vrouwen op me gericht alsof ik een beroemdheid was. Hoofden draaiden zich naar me om en vanaf een ladder floot een huisschilder naar me. Twee jonge meiden in hippieachtige kleding trokken, tot mijn duivels genoegen, nauwelijks aandacht. Ha! Hier deed ik het allemaal voor. Met een hautaine houding leek ik onverstoorbaar, maar van binnen genoot ik stiekem. Ik wilde pronken als een pauw en het stralende middelpunt van de belangstelling zijn. Inmiddels was ik vijfenveertig maar ik werd gemiddeld tien jaar jonger geschat. Op veel gebieden kon ik nog makkelijk concurreren met meisjes van twintig. Als geen ander wist ik dat veel welgestelde mannen de voorkeur gaven aan een mooie rijpe en ervaren vrouw boven een jong ding.

Hoewel het mooie weer, mijn nieuwe jurk en alle aandacht me inwendig deed spinnen als een klein katje, was ik in mijn geboortestad meestal nerveus en op mijn hoede. Het had meer dan een decennium geduurd voordat ik me zonder maskerende sjaals en brillen in Rotterdam durfde te vertonen. Ik was als de dood om oude bekenden van het Huis tegen het lijf te lopen; mensen die wisten wie ik was en vooral wat ik was geweest. Drieëntwintig jaar na de Bevrijding was de haat jegens Duitsers, NSB'ers, moffenhoeren en andere 'foute' Nederlanders nog lang niet verwaterd. Zoals zo velen wilde ik niet met mijn dubieuze achtergrond worden geconfronteerd. Dat kon ik mijn familie en mezelf niet aandoen. Slechts een enkeling was van mijn voormalige loopbaan op de hoogte en dat wilde ik graag zo houden. Ik was een dame geworden en wilde niet als hoer herinnerd worden.

In de stationshal zocht ik naar de vertrektijden en perronindeling. De trein naar Roosendaal vertrok over een klein half uurtje. Daar zou Sam me komen halen, tenzij...

Eigenlijk wilde ik nog niet naar huis. Ik keek om me heen zonder precies te weten wat ik zocht. Nou ja, natuurlijk wist ik wel wat ik wilde. Het was niet alleen aan de lentezon te danken dat ik al de hele dag geil was. Ik had al drie dagen geen seks meer gehad, niet met een man in ieder geval. Ik kon eventueel een latere trein naar huis nemen als... In de stationshal bleef mijn blik rusten op een stijlvol geklede vijftiger met attachékoffer, maar toen een knappe brunette zich bij hem voegde vervolgde ik mijn weg. Jezus nee, wat haalde ik in mijn hoofd? Niet hier, Joke. Niet in Rotterdam.

"Kan ik u ergens mee van dienst zijn, mevrouw?" vroeg een knul in NS uniform.

"Nee, dank u vriendelijk. Ik weet de weg."

Zoals altijd als ik bij Sientje op bezoek was geweest, was ik zowel vrolijk als enigszins terneergeslagen. Ze was het enige familielid met wie ik nog contact had. Onze verstandhouding was prima, zo lang we maar niet over oude koeien spraken. Zoals het een vroom Katholiek betaamt had ze me mijn zonden vergeven, maar onder de oppervlakte voelde ik nog steeds haar afkeuring. Omdat ik de kerk de rug had toegekeerd vreesde ze voor mijn ziel. Ik wist dat ze wekelijks voor me bad en een kaarsje brandde. Het was aandoenlijk dat ze zich om mijn welzijn bekommerde maar ik geloofde in het leven, niet in de hemel of de hel.

Sientje was na de Bevrijding verliefd geworden op een hardwerkende timmerman. Ongetwijfeld was ze als maagd de eerste huwelijksnacht ingegaan en had ze nooit een andere piemel tussen haar benen gehad dan die van haar man. Of hun seksleven bevredigend was wilde ze me niet vertellen maar binnen zeven jaar had het stel vijf kinderen gekregen. Na de geboorte van de jongste had ze mijn herhaalde advies om voortaan condooms te gebruiken, toch maar ter harte genomen.

Vorige week was Sien, zelf de veertig amper gepasseerd, voor het eerst oma geworden. Vandaag was ik op kraamvisite geweest, had zowel de kersverse mama als oma geluk gewenst en had de jongste telg van onze familie in mijn armen mogen houden. Later pinkte ik op de wc even een traantje weg. Op momenten als deze was ik emotioneel. Bij de onvermijdelijke verhalen over zwangerschap en geboorte voelde ik weer het gemis dat ik deze ervaring niet met hen deelde. De dokter had gelijk gekregen. Er was een periode geweest dat ik hem had vervloekt om wat hij had aangericht. Maar mijn woede was zinloos omdat het niets aan de situatie veranderde. Uiteindelijk had ik het enige gedaan wat ik kon doen: accepteren dat ik nooit een kind zou baren. Na verloop van tijd kon ik er ook de voordelen weer van zien; ik kon onbeschermde seks hebben zonder ongewenste gevolgen en mijn figuur was slank en strak gebleven.

Ik liep aan de roltrap voorbij en nam de trap naar de voetgangerstunnel. Zoals gewoonlijk waren bijna alle reizigers gehaast. Ze krioelden door elkaar heen. Alleen een oude man op een bankje leek nergens naartoe te gaan. Zijn haren waren spierwit. Ietwat voorover gebogen leunde hij met beide handen op een stok, maar zijn opmerkzame ogen volgden me van achter zijn brillenglazen. Hoewel hij er wel verzorgd uitzag, was zijn uitstraling enigszins armoedig. De interesse was daarom niet wederzijds. Vergeet het maar, ouwe, je maakt geen schijn van kans.

"Lavendelblauw staat u nog steeds fantastisch, dame," hoorde ik hem zeggen toen ik stoïcijns aan hem voorbij liep.

In een fractie van een seconde sloeg de bodem onder mijn voeten vandaan. Ik zou slechts hebben geglimlacht als hij enkel had gezegd dat blauw me goed stond. Maar zijn woordkeuze deed alle alarmbellen rinkelen. Dame was geen gebruikelijke aanspreektitel. En hoe kon hij weten dat ik een voorliefde had voor de kleur van lavendel? Nog steeds... Had hij werkelijk 'nog steeds' gezegd?

Ik panikeerde. Iemand die me van vroeger kende? Een voormalige klant van het Huis? Mijn benen leken door drijfzand te ploeteren. Ik wilde doorlopen. Weglopen. Rennen. Maar voor mijn gevoel kwam ik geen stap vooruit.

"Ken je me niet meer, Joke? Of wil je me niet meer kennen?"

Aan de grond genageld bleef ik staan. Hij kende mijn voornaam. En die stem... Zijn stem kwam me zo bekend voor. Koortsachtig groef ik in mijn geheugen naar de bijbehorende persoon. Ergens begon iets te dagen. Een ander tijdperk. Een andere plaats. Een ander leven. De stem van mijn kwelgeest, maar vooral die van mijn beschermengel. Alle heiligen op een stokje! Dit kon niet waar zijn.

Ik wankelde op mijn benen toen ik me naar hem omdraaide. "O mijn god!"

Toen hij de hoornen bril van zijn neus nam herkende ik hem pas. Hij was oud geworden. Oud en... Hoe moest ik het noemen? Versleten? Diepe rimpels tekenden zijn gezicht. Ik zou hem straal voorbij zijn gelopen als hij zijn mond had gehouden. Maar zijn ogen en lach waren nog dezelfde als vroeger. Hij was het. Hij was het echt!

"Dokter?"

"Ik dacht dat ik een visioen van een engel kreeg toen je van die trap kwam," mompelde hij geëmotioneerd toen ik me - totaal van de kaart - naast hem op het bankje liet zakken. "Ik herkende je benen al voor ik je gezicht kon zien. Je hebt nog steeds dezelfde manier van lopen; als een prinses die over een rode loper schrijdt. Mijn Joke... Liefie! Wie had durven dromen dat onze wegen nog eens zouden kruisen?"

Liefie... Dat woord alleen was genoeg om me terug te brengen naar een ver verleden. Ik had dat koosnaampje niet meer gehoord sinds ik aan het eind van de Tweede Wereldoorlog gedwongen afscheid van hem had genomen. Hoe lang was dat geleden? Ik hoefde niet te rekenen. Heel Nederland had vorige week de 23e verjaardag van de Bevrijding gevierd. Elk jaar dacht ik daarbij ook aan de dokter. 

Teder kuste hij mijn wang. Mijn keel zat dichtgesnoerd. Ik kreeg geen woord over mijn lippen maar ik klampte me aan hem vast alsof ik bang was dat hij er zonder mij weer vandoor zou gaan. Ik was volkomen perplex en kon alleen maar hartverscheurend huilen. Het moet een merkwaardig tafereeltje geweest zijn voor de passanten in Rotterdam Centraal, de elegante wenende vrouw en de veel oudere man, samen in een innige omhelzing op een bankje. Maar in plat Rotterdams uitgedrukt kon de rest van de wereld wat mij betreft in de stront zakken.

"Zijn je tranen nog steeds niet opgedroogd?" vroeg hij op zijn eigen plagende toontje. "Waar haal je ze toch vandaan?"

Dit was de dokter ten voeten uit. Mijn hemel, wat had ik hem gemist.

"Je bent een gore klootzak," stamelde ik schor. "Waarom heb je ons nooit verteld hoe je heet? Elke poging je te vinden liep spaak omdat we geen naam hadden. Geen naam, geen geboortedatum, geen aanknopingspunt, helemaal niets."

"Tja... Dat realiseerde ik me pas toen het te laat was."

In zijn Rotterdamse praktijk woonden andere mensen die ons geërgerd wegstuurden. Rosa en ik waren de zoveelste die aanbelden en naar een dokter informeerden. De nieuwe bewoners wisten echter van niets. De gemeente had hen dat huis enkele maanden na de Bevrijding toegewezen omdat het onbewoond bleef. Een dag later gingen we naar het Huis, maar daar troffen we alleen werklui aan die het landhuis moesten verbouwen omdat het een nieuwe bestemming kreeg als rusthuis voor oorlogsveteranen. Nu de klimop van de gevel was verwijderd kwam de oorspronkelijke naam van het Huis tevoorschijn op een verweerd naambord: 'De Witte Grimbergen'. We konden echter niet bedenken waar die naam op sloeg.

"Met heel veel moeite wisten we Gerrit's achternaam te achterhalen," ratelde ik verder. "Maar op elk adres dat we van hem kregen bleek hij weer te zijn vertrokken. Onze brieven kwamen ongeopend retour en toen raakten we opnieuw het spoor bijster."

De dokter stak zijn rechterhand naar me uit. "Boudewijn... Boudewijn Wilhelmus de Witt van Grimbergen. Maar ik noem mezelf meestal Willem de Wit."

"Hemeltje!" Ik schrok me wezenloos, maar niet van zijn adellijk klinkende naam, noch de overeenkomst met de naam van het Huis. "Wat is er in vredesnaam met je handen gebeurd?"

"Dat is een lang verhaal, liefie. Geen vrolijk verhaal vrees ik."

Zijn beide handen waren verminkt. Ze waren onnatuurlijk dik en leken op stramme boomtakken vol knobbels en littekens. Hij kon zijn vingers amper bewegen. Dit was verschrikkelijk. Opnieuw voelde ik tranen in mijn ogen opwellen.

"Moet jij geen trein halen?" vroeg hij.

Subtiel bracht hij me terug in de realiteit en met beide voeten op de grond. Tegelijkertijd probeerde hij mijn vraag te omzeilen. O ja, dacht ik, dat probeerde hij vroeger ook altijd. Het was bizar hoe ik na al die tijd minder dan een minuut nodig had om zijn typische karaktertrekjes te herkennen.

"Ben je besodemietert? Ik ga helemaal nergens heen. Niet voordat ik weet waar ik je terug kan vinden."

"Ik hoopte dat je iets dergelijks zou zeggen," lachte hij met een steelse blik op mijn trouwring. "Maar eerst ga je mij vertellen welke bijzondere man van jou een eerbare vrouw heeft gemaakt."

Nu was het mijn beurt om te lachen. "Reuben Weiss, een Joodse Amsterdammer."

"Een Amsterdammer? Je neemt me in de maling. Kon je niets beters krijgen?"

De spreekwoordelijke rivaliteit tussen Rotterdammers en Amsterdammers, tussen Feyenoorders en Ajacieden, was van alle tijden. Maar zijn humor had voor mij geen geheimen. Het was zijn manier om me te vertellen dat hij blij voor me was. Al was ik een Afrikaanse bosneger met zes lullen naar de rimboe gevolgd, als ik maar gelukkig met hem was.

Uiteindelijk was ik toch met Reuben getrouwd. Het had hem niet veel moeite gekost om mijn 'nee' in een 'ja' te veranderen. Mijn ongekende vrees dat ik hem niet gelukkig kon maken, had hij zonder pardon naar het land der fabelen verwezen. Ik zou hem pas echt ongelukkig maken als ik weigerde zijn vrouw te worden, beweerde hij stellig. Met mijn beroep en verleden had hij zich al verzoend. Zijn geloof maakte er geen probleem van dat ik geen Joodse was. En dat ik geen kinderen kon krijgen? Ach, we hadden Lea en Sam toch al? Als ons nog één of meer koters gegund waren, waren ze natuurlijk welkom. We moesten maar veel oefenen, had hij met een brede grijns gezegd. En dat hadden we gedaan. We neukten en vreeën dagelijks tot de buren erover klaagden, maar zwanger was ik niet geworden. De vrouwenarts die ik tegen beter weten in raadpleegde, had me vol afgrijzen gevraagd wie me zo had verminkt. Maar hoe boos en gefrustreerd ik toen ook was geweest, ik had de dokter er nooit om gehaat. Ik had hem zijn fouten vergeven en was met weemoed en dankbaarheid aan hem blijven denken, me afvragend was er met hem was gebeurd. Want op die vraag hadden Rosa en ik nooit een antwoord gekregen.

En nu... Nu was ik bijna letterlijk over hem gestruikeld.

Ik zocht in mijn tas naar een zakdoekje en make-up spiegeltje om mijn gezicht weer enigszins toonbaar te maken. Mezelf opkalefateren bleek meer te vereisen dan een doekje want mijn ogen waren rood en behuild. Mijn mascara had zwarte sporen over mijn wangen getrokken. Ik poetste ze weg en besloot de rest voor deze ene keer zo te laten. Op wie wilde ik indruk maken? De dokter keek dwars door elk laagje vernis heen.

Ik stond op. "Kom dokter. Of hoe wil je dat ik je noem? Boudewijn of Willem?"

"Dokter is prima, daar ben ik aan gewend. Ik heb een hekel aan mijn eigen naam, maar dat vermoedde je al."

"Mooi. Ik moet even iemand bellen en dan zoeken we een plekje waar we rustig kunnen ouwehoeren. Ga je mee?"

Ik kreeg een volgende schok te verwerken toen hij moeizaam overeind kwam. Uit alle macht probeerde hij zich sterker voor te doen maar hij kon niet verbergen dat hij mank liep. Het brak mijn hart. Wat was er met hem gebeurd?

Toen ik hem leerde kennen schatte ik hem begin veertig. Dan moest hij nu ongeveer zeventig zijn. De bange vermoedens die Rosa en ik hadden waren vermoedelijk waarheid geworden. Het enige goede nieuws was dat hij nog leefde. Het liefst had ik het luidkeels van de daken geschreeuwd.

In de stationshal haalde ik aan het loket een handvol kwartjes voor de telefooncel, waar ik me liet doorverbinden met een lang nummer.

"Lieverd, je hoeft me straks niet van de trein te halen. Ik blijf nog even in Rotterdam. Er is vandaag iets heel bijzonders gebeurd, Sam. Ik ben mijn dokter tegengekomen."

Terwijl ik het hardop uitsprak voelde dat ik straalde als een kind op Sinterklaasavond. Hetzelfde gevoel las ik in de ogen van de man naast me. Lea en Sam wisten dat een arts zich tijdens de oorlog over me had ontfermd en dat hij een grote rol in mijn leven had gespeeld. Ik had hen verteld dat ik voor hem had gewerkt als doktersassistente. Dat was niet gelogen, maar de hele waarheid kon en wilde ik hen niet vertellen.

De kleine oppervlakte van de telefooncel dwong ons dicht bij elkaar te staan. De nabijheid van de dokter liet me niet koud. Het oude verlangen naar mijn leermeester sidderde in elke vezel van mijn lijf. Hoewel ik uitermate kieskeurig was in de keuze van mijn minnaars waren zijn leeftijd en handicaps ditmaal volstrekt onbelangrijk.

Sam reageerde enthousiast en wenste me een fijne avond. Nadat ik hem had verteld dat ik waarschijnlijk in een hotelletje zou overnachten, verbraken we de verbinding. De dokter had elk woord meegeluisterd.

"Mama?" herhaalde hij het laatste woord van Sam. Ik las een sprankje hoop op zijn gezicht.

"Wonderen bestaan helaas niet, dokter. Sam en zijn zus Lea zijn Reuben's kinderen uit zijn eerste huwelijk. Ze werden me in de schoot geworpen toen ze peuters waren, maar voor hun gevoel ben ik hun moeder en voor mijn gevoel zijn zij mijn kinderen."

Hij legde een arm om mijn schouder. "Dat is grandioos. Ben je gelukkig, liefie?"

"Ja. En jij?"

"Vandaag ben ik de gelukkigste man op deze aardkloot."

Mijn lip trilde. Ik weerstond de neiging om in zijn armen te kruipen, om mijn hunkerende lichaam tegen hem aan te schurken zoals vroeger. Ik zou hem lang en hartstochtelijk hebben gekust als we niet in een drukke stationshal stonden waar elke minuut tientallen wildvreemde mensen aan ons voorbij liepen. In plaats daarvan gooide ik de resterende kwartjes in het telefoontoestel. Ik had nog een verrassing voor hem.

"Met Rosa."

Zijn ogen lichtten op zodra hij haar naam hoorde. Ik zag hem glunderen. Hij vond vandaag niet één, maar twee van zijn meiden terug.

"Met mij," zei ik. "Je raadt het nooit."

"Wat?"

Ik kon haar uittekenen zoals ze achter de bar stond van haar eigen bruine kroeg. Met de telefoon in haar ene hand en de vingers van haar andere hand ongeduldig trommeldend op het werkblad. Ze hield niet van bellen. Meestal klemde ze de hoorn tussen haar wang en haar schouder terwijl ze tegelijkertijd een biertje tapte voor één van haar stamgasten. De mannen kwamen om te kaarten, te zuipen, tot vervelens toe te discussiëren over voetbal en zich te vergapen aan Rosa's wiebelende boezem en stevige achterwerk. Wie geluk had, en niet in de laatste plaats een forse pik, mocht na sluitingstijd een uurtje mee naar boven. En wie haar genoeg geld toeschoof mocht blijven tot ze hem 's ochtends op niet mis te verstane wijze het gat van de deur wees. Maar als één van haar vaste kroeglopers niet kwam opdagen op zijn gebruikelijke kaartavondje vroeg ze zich nagelbijtend af of er iets mis was. Dat was Rosa. Als vanouds een grote bek en een klein hartje.

"Herinner jij je Boudewijn de Witt van Grimbergen nog?"

"Wie?"

Ik herhaalde zijn naam. De dokter verbeet zijn lach.

"Trut! Je weet dat ik niet van raadsels hou. Zeg gewoon wat er is. Straks vertel je me nog dat je de dokter uit zijn graf hebt opgegraven."

Ik deed het bijna in mijn broek van het lachen toen ik de hoorn tussen ons in hield zodat we allebei aan het gesprek konden deelnemen.

"Rosa, je weet toch dat onkruid niet vergaat?" sprak hij in de hoorn.

Het bleef opvallend stil aan de andere kant van de lijn. Alleen het geroezemoes in de kroeg was op de achtergrond te horen.

"Lul niet. Dit is een geintje... Toch?"

"Nee, het is echt waar," zei ik. "We kwamen elkaar toevallig tegen op het Centraal Station."

"Klerelijers," vloekte Rosa hartgrondig. "En zoiets flikken jullie me uitgerekend vandaag? Ik heb de tent vol opgefokte biljarters die een toernooi willen spelen. Ik kan die gasten nu niet de straat op schoppen vanwege de wonderbaarlijke wederopstanding van ene Boudewijn de... Wie dan ook. Maar anders was ik nu meteen naar jullie toe gekomen."

Hoewel ze het probeerde te verbloemen hoorde ik de emotie in haar stem.

De dokter merkte het ook. "Ik hoor het al. Je bent geen spat veranderd, zwartharig mormel."

"Waar hangen jullie uit?" vroeg Rosa. "Ik kom zodra het morgen licht wordt."

Hij gaf haar zijn adres. Ik bezweek bijna toen ik hoorde dat hij in Kralingen woonde, op een steenworp afstand van de plek waar ik was opgegroeid. Nadat de puinhopen van het bombardement waren geruimd was er nieuwbouw verrezen. Ik was er nooit meer geweest.

"Bakkie doen?" vroeg ik toen ik de telefooncel wilde verlaten.

"Het ligt waarschijnlijk aan mij, maar ik mis iets. Moet je niet nog iemand bellen?"

Ik had nog geen kans gezien om hem in te lichten. Er was ook zoveel te vertellen.

"Reuben?" Ik schudde mijn hoofd. "Nee, de hemel heeft geen telefoon. Ik ben al zeven jaar weduwe."

Hij mompelde een vloek. "Jou blijft ook niets bespaard hè? Ik bedoel..."

"Ik waardeer je medeleven, dokter, maar ik lig er niet meer wakker van. Ik heb vrede met zijn dood."

Voor het station stond een ijscokarretje. Verderop zag ik een eetcafeetje, maar koffie noch een ijsje leek me een goed idee voor ik wist in hoeverre hij de functie van zijn handen was verloren. Een beschamende vertoning wilde ik hem niet aandoen. Bovendien wilde ik iets heel anders van hem. Ik besloot alle beleefdheden overboord te gooien en de koe bij de horens te vatten.

Op de stoeprand bleef ik staan. "Ik zeg geen nee als je me mee vraagt naar huis."

"Joke." Hij zuchtte en wendde zijn blik af. "Ik ben niet meer de man die jij je herinnert. Ik ben lichamelijk niets meer waard, mijn woning heeft de afmeting van een postzegel en ik..."

Ik knipte met mijn vingers. "Ik sta hier. Kijk me aan als je tegen me praat."

"Kreng," glimlachte hij.

"Als je bed groot genoeg is voor ons tweeën wil ik vannacht bij jou zijn. En als je bed te klein is ook."

Hij fronste bedenkelijk zijn wenkbrauwen. Het verbaasde me dat hij niet meteen toehapte.

"Breng ik geen relatie in gevaar? Ik krijg morgen geen bezoek van een jaloerse minnaar die de ballen van mijn lijf wil rukken als ik je tegen mijn matras nagel?"

Enkel met een paar woorden kon hij de sappen in mijn kruis laten vloeien.

"Maak je geen zorgen." Ik beet nerveus op mijn lip. Hoewel hij de waarheid mocht weten vond ik het toch gênant dat ik hem dit al na een half uur moest opbiechten. "Liefde en prostitutie gaan niet samen."

Zijn bulderende lach weerkaatste tegen de glazen voorgevel van het station. Voorbijgangers keken nieuwsgierig op. Ik bloosde zowaar, maar kon niet anders dan de humor ervan inzien.

"Zo te zien doe je het niet voor een paar knaken. Wat gaat me dit geintje kosten?"

"Voor jou doe ik het voor een overnachting, een douche en een ontbijtje."

"In dat geval mag je bij me intrekken," grijnsde hij. "Kom, waar wachten we op?"

Hij wilde naar de tramhalte lopen maar ik wenkte een taxi. Het was een ritje van luttele minuten maar gevoelsmatig hadden we in die tijd heen en weer naar Groningen kunnen reizen. Het leek alsof ik ter plekke klaar zou komen zonder ook maar aangeraakt te worden. Het kostte me al mijn zelfbeheersing om me netjes te gedragen op de achterbank en kennelijk deed hij minstens zoveel moeite om van mij af te blijven. Wat hem verder ook mankeerde, met zijn libido was niets mis. Ik hoefde zijn kruis niet te zien om te weten dat hij een erectie had. Door de wol geverfd kon ik in de ogen van elke man lezen of hij geil was en dat gold andersom ook voor hem.

Eenmaal op de plaats van bestemming haalden we de slaapkamer niet eens. Toen de voordeur achter ons dichtviel sloegen de stoppen door. Een passionele tongzoen friste mijn geheugen op en deed oude tijden herleven. Het geduld om eerst mijn kleding uit te trekken ontbrak. Slechts het hoogstnoodzakelijke moest in alle haast wijken. Met zijn broek onder zijn ballen, mijn jurk om mijn middel en mijn slipje bungelend aan één van mijn enkels, duwde hij me in het smalle gangetje tegen de muur.

"Hoe wil je hem hebben?" gromde hij terwijl hij zijn staalharde lul tegen mijn billen wreef.

"Hard en diep," kreunde ik terwijl ik mijn handen tegen het behang plaatste en me schrap zette. "Rammen, dokter!"

Ik werd op mijn wenken bediend. Zijn pik benam me de adem en al na een tiental stoten was ons gezamenlijke orgasme een feit. Wanneer had ik me nog zo primitief laten nemen? Ik was bijna vergeten hoe gruwelijk lekker dat was. Misschien was ik na de oorlog te beschaafd geworden.

Puffend liet hij zich in de kleine keuken op een stoel zakken en fatsoeneerde zijn kleding. Ik schudde mijn lange haren los en schopte mijn pumps uit. Mijn slipje belandde ernaast op de zwart-witte vloertegeltjes.

"Ik wist het," zei hij terwijl hij met zijn hemdsmouwen het zweet van zijn voorhoofd veegde. "Ik wist het al toen je de allereerste keer bij me kwam. Je was een tikkende seksbom maar dat besefte je toen zelf nog niet. Toen je eenmaal de smaak te pakken had was je niet meer te houden. In dat opzicht ben je niets veranderd."

"Een dag zonder seks is een dag niet geleefd," beaamde ik.

Ik trok mijn jurk en beha uit en drapeerde ze over de enig overgebleven keukenstoel. Er zat een spermavlek op mijn mooie nieuwe jurk. In andere omstandigheden zou ik woest zijn geweest maar op dit moment waren praktische zaken relatief en onbelangrijk. Ik zou me er later om bekommeren. Mijn horloge en juwelen, inclusief trouwring, legde ik op het tafeltje. Een restje sperma droop langs de binnenkant van mijn dijen.

"Heb je er ooit spijt van gehad, Joke?"

Terwijl ik een pakje luxe sigaretten opdiepte uit mijn handtas dacht ik na over het antwoord. Ik wilde het niet mooier maken dan het was.

"Niet van mijn beroepskeuze. Wat ik wel heb betreurd is dat ik me destijds door jou heb laten wegsturen. Ik had bij je moeten blijven."

De eerste sigaret die ik opstak gaf ik aan hem. De volgende hield ik zelf.

"Wees blij dat je op tijd weg was," zei hij. "Ik heb god op mijn blote knieën bedankt dat het lot van andere vrouwen jullie bespaard is gebleven."

Hij doelde op de weinig zachtzinnige behandeling van moffenhoeren na de Bevrijding. Het publiek kaalscheren van mijn hoofd had ik nog wel overleefd, maar er waren moffenliefjes die minder geluk hadden. 

"Waarschijnlijk was je eerder gevlucht als ik bij je was gebleven."

"Misschien wel. Misschien niet."

Met mijn rug tegen het aanrecht geleund zoog ik aan mijn sigaret. Zijn ogen gleden schaamteloos over mijn naakte lijf. Niemand had ooit op dezelfde ondoorgrondelijke manier naar me gekeken. Geen enkel detail ontging hem. Misschien kwam dat omdat hij arts was. Of omdat noch ik, noch mijn lichaam ooit geheimen voor hem had gehad.

"Je bent bloedmooi, jongedame. Nog veel mooier dan ik me herinner. Mijn grootste nachtmerrie was dat ik zou sterven zonder je ooit nog eens terug te zien." Hij slikte zijn emotie dapper weg. "Die jurk... Ik heb hem laatst in een etalage zien hangen. De Coolsingel, als ik me niet vergis. Ik moest meteen aan jou denken omdat je dol was op lavendelblauw. Hij kost een maandsalaris."

"Het hangt ervan af hoeveel je verdient," zei ik.

Ik drukte mijn peuk uit. De dokter liet de zijne opbranden in de asbak. Een borrel zou nu ook wel lekker zijn. In de koelkast trof ik melk, sinas en een aangebroken fles appelsap aan.

"Jij ook?" vroeg ik toen ik de appelsap koos.

"Met een rietje graag."

Een rietje... Het bezorgde me een onverwachte knoop in mijn maag. Zou hij koffie en thee ook met een rietje drinken? Soep? Hoe smeerde hij een boterham? Hoe draaide hij een kraan open of een dop van een fles? Hoe maakte hij knopen en ritsen dicht? Hoe schoor hij zich? Hoe deed hij muntgeld in zijn portemonnee? Ik probeerde er niet over na te denken hoe hij zich in zijn eentje moest zien te redden.

In een keukenkastje vond ik plastic servies. Logisch en praktisch in zijn geval. Ik schonk appelsap in twee bekers en deed in elk twee rietjes. Vervolgens sneed ik een stukje kaas in blokjes. Seks maakte hongerig.

"Mag ik weten waar je tegenwoordig werkt?" vroeg hij.

"Brussel."

"Brussel? Is dat niet een beetje ver vanuit Amsterdam?"

In eerste instantie snapte ik niet wat hij bedoelde maar ik had hem verteld dat Reuben Amsterdammer was.

"Met Rotterdams bloed in mijn aderen ga ik toch niet in Mokum wonen, dokter? Dat zou pure zelfkastijding zijn. Ik woon in Antwerpen."

"Is dat geen zelfkastijding dan?" lachte hij.

"Alles buiten de regio Rotterdam voelt als een andere planeet, maar ik durfde mijn gezicht hier niet meer te vertonen. Reuben had hetzelfde met Amsterdam. Teveel nare herinneringen. Maar hij was diamantair."

De dokter had geen verdere uitleg nodig. "Dan is er maar één alternatief; de diamantstad. Ik begrijp het helemaal." Hij wees op mijn sieraden. "Die glimmertjes heb je uiteraard van hem. Je bent een rijke weduwe, maar... Reuben haalde het meisje uit de prostitutie, maar de prostituee niet uit het meisje. Heb ik dat goed?"

Net zoals vroeger sloeg hij de spijker op zijn kop. Ik knikte slechts.

"In Brussel nog wel. Hoe kom je daar terecht?"

"Ik ben gastvrouw voor delegaties van de NAVO en de Europese Gemeenschap."

"Natuurlijk, hoe kan ik het vragen?" reageerde hij cynisch. Hij rolde bijna van zijn stoel. "Jezus Christus! Gastvrouw? Heet dat zo tegenwoordig?"

"Mijn familie denkt dat ik borrels en diners organiseer voor de hoge piefen daar."

"Als ik het goed begrijp vergezel je je klanten naar openbare gelegenheden. Een ogenschijnlijk onkreukbare dame aan de dinertafel en een stoeipoes in bed. Ik had zelf niet beter kunnen verzinnen. Je bent geknipt voor die dubbelrol. Wie zijn je klanten?"

"Ministers, staatshoofden, diplomaten, directeuren van multinationals, bankiers, afgevaardigden van internationale organisaties, soms een lid van een koninklijk huis. Vorige week heb ik een dag en een nacht met een Arabische sjeik doorgebracht."

"Hoe weten die heren je te vinden? Je staat niet in het telefoonboek mag ik hopen."

"De luxe hotels in en rond Brussel hebben een vertrouwelijk adressenboekje bij de receptie. Als een gast speciale wensen heeft wordt de dame van hun keuze gebeld."

Meewarig schudde hij zijn hoofd. "Dan kom je in Rotterdam en ga je met een kreupele ouwe lul naar huis."

"Je bent geen kreupele ouwe lul."

"Je bent niet blind, Joke. Ik heb je reactie wel gezien. Je gezicht vertelde meer dan woorden."

"Nou en? Wie weet hoe ik er over dertig jaar uitzie?"

"Jij bent op je honderdste nog een schoonheid."

Ik voelde irritatie opkomen. Zo kende ik hem niet. "Waarom kleineer je jezelf zo?"

"Kijk naar me," riep hij. "Kijk! Ik deug nergens meer voor. Jij verdient beter dan een minuutje neuken tegen bloemetjesbehang."

"Hoor je me klagen? Ik heb al tijden niet meer zo genoten."

"Je liegt."

Liegen? Nu moest hij toch echt op zijn woorden passen.

"Denk je werkelijk dat die geleerde ego's het beter doen dan jij?" reageerde ik geïrriteerd. "Denk je dat blauw bloed en boekenwijsheid geiler maakt? Geloof me, er lopen bij de NAVO meer klootzakken rond dan in heel Rotterdam. Veel van die zogenaamd hooggeleerde heren weet niet eens hoe een kut eruit ziet. Ze steken hun pik erin, spuiten hun zak leeg en klaar is Kees. Of ik er iets van voel interesseert ze geen hol. Het enige wat hen echt boeit is het machtsspelletje dat ze onderling spelen."

"Als dat zo is, waarom doe je het dan?"

"Omdat ik per keer een maandsalaris vang," antwoordde ik eerlijk. "Omdat ik interessante en bekende mensen ontmoet, en omdat slechte seks nog altijd beter is dan helemaal geen seks. Sinds Lea en Sam op eigen benen staan verveel ik me thuis stierlijk."

In Antwerpen mocht ik mijn dagen thuis op de bank doorbrengen, thee drinken met gelijk gesitueerde dames of geld inzamelen voor een goed doel. Nee, geef mijn portie maar aan fikkie. Ik was lang genoeg een wenende weduwe geweest. Mijn uitstapjes naar Brussel waren een goede reden om mezelf piekfijn op te dirken, Engels of Frans te spreken en de kranten te lezen om mijn algemene kennis op peil te houden. Reuben had een dame van me gemaakt en dat wilde ik blijven.

"Jij wilt gezien worden," zei de dokter. "Jij wilt met jezelf pronken en elke kerel geil en gek maken, bij voorkeur in de hoogste kringen. In het Huis selecteerde je je klanten al op basis van hun afkomst, rang of status."

Dat kon ik niet ontkennen. "Lang geleden zei iemand tegen me dat ik me niet minder hoefde te voelen dan de deftige kakmadammen bij het Scheveningse Kurhaus. Volgens hem kon ik best een dame worden."

Er verscheen een melancholische uitdrukking op zijn gezicht. "Dat je dat nog weet."

"Van jou heb ik de belangrijkste lessen van mijn leven geleerd, dokter. Ik herken nog steeds een kwal als ik er eentje zie."

De dokter glimlachte zwijgend.

Met mijn armen over elkaar geslagen stond ik voor het keukenraam. Door de vitrage keek ik naar de omgeving die me zo vreemd was en toch zo vertrouwd. Verderop zag ik de boomtoppen van het Kralingse bos waar ik vroeger speelde met buurtgenootjes. Verstoppertje, touwtje springen, balspellen, elastieken of knikkeren. Ik was niet lang kind gebleven. Al gauw werd ik zelf een speelbal en speelde ik volwassen spelletjes.

Ik ging voorzichtig op zijn goede knie zitten. "Waarom ben ik naakt en jij niet?"

Nadat we hadden geneukt had hij zijn broek weer opgetrokken. Ik sloeg mijn armen om zijn nek en kuste zijn mond. Terwijl onze tongen elkaar vonden zocht ik naar de knoopjes van zijn overhemd. Drukknoopjes? Handig!

"Niet doen." Hij duwde mijn hand weg. "Alsjeblieft. Misschien is dit toch niet zo'n goed idee. Doe jezelf een plezier, Joke, ga naar huis. Ik ben geen gezellig gezelschap meer."

"O nee, ik laat me niet nog eens wegsturen. Niet voordat je me alles hebt verteld."

"Je weet niet waar je aan begint. Op sommige vragen wil je het antwoord liever niet weten."

De tijd had niet stilgestaan. Het begon langzaam tot me door te dringen dat we nog wel dezelfde personen waren, maar dat de onderlinge verhoudingen waren veranderd. Terwijl ik de surrogaatvader in hem probeerde terug te vinden, merkte ik dat hij juist moederlijke instincten in me wakker maakte. Ik was volwassen, zelfstandig en onafhankelijk geworden en hij oud, invalide en kwetsbaar.

Met weemoed bekeek ik zijn misvormde handen die ooit lenige slanke vingers hadden. Zijn zachte eeltloze doktershanden hadden pleisters geplakt, ledematen verbonden, medicijnen aangereikt, wonden ontsmet, naalden in aders gestoken, zalfjes gesmeerd, vaginaal onderzoek verricht, klitjes gevingerd, G-spots gestimuleerd en talloze orgasmen opgewekt. Ze hadden me getroost, gerustgesteld, mijn tranen gedroogd, mijn haren en huid gestreeld, de spanning weg gemasseerd en soms gestraft. Ze hadden me geholpen, opgevangen, beschermd, gedragen, beetgepakt en tegengehouden. Zijn opgeheven wijsvinger had me gewaarschuwd, gecorrigeerd, een lesje geleerd, terechtgewezen, me naar mijn kamer gestuurd of me het stilzwijgen opgelegd. Zijn vingers hadden in mijn borsten en billen geknepen, een speelse tik op mijn kont gegeven, de kleren van mijn lijf gerukt, me keer op keer opgehitst, het beest in me los gemaakt en me bevredigd. Maar boven alles hadden zijn handen me liefgehad.

Ik had hém liefgehad.

Ik had hem nog steeds lief.

 

 

Meer verhalen van: Fanny

Fijn verhaal 
+12

Reacties  

Beste Fanny, ik heb je verhaal met open mond gelezen ... prachtig ... inderdaad onvoorstelbaar hoe goed jij kan schrijven. Ik heb er werkelijk van genoten ... zowel het historische verhaal als het erotische verhaal, over liefde en verdriet, ... Blijkbaar is het verhaal nog niet ten einde ... ik kijk uit naar het vervolg !!! Doe zo verder !
Fanny, dank je voor dit verhaal. Heb het in een ruk uitgelezen. Naar mijn mening zou dit verfilmd moeten worden!!!
Poe, Joke, dat is dus heel heftig.
Het is onvoorstelbaar zo als jij kan schrijven , Fanny !

Dank je wel voor deze aflevering.....
Een mooi slot - wij moesten er lang opwachten, maar dat was de moeite waard. Het verhaal is de moeite van het lezen meer dan waard. Realistisch, opwindend, soms stuitend. Alle aspecten van het wilde leven komen aanbod, maar uiteindelijk gaat het om de liefde.
Dit is geen slot, Pieter. Ik heb nog een paar verhaallijnen in mijn hoofd, dus het gaat nog even verder. Maar hartelijk dank voor je complimenten :-)
Dan kijk ik uit naar het vervolg. Laat ons niet te lang wachten!