Spoorloos 2 - Suicide is painless

Informatie
Geschreven door Fanny
Geplaatst op 10 juli 2017
Hoofdcategorie Spoorloos
Aantal reacties: 2
5188 woorden | Leestijd 26 minuten

Maastricht, januari 1991

R

uby Adams had een afkeer van iedereen die van het stellen van vragen zijn beroep had gemaakt. Bij voorkeur ontliep ze juristen, journalisten, artsen, politie en andere hulpverleners. Vandaag was er echter geen ontkomen aan. Na een handjevol verpleegkundigen, twee artsen in opleiding, een medisch specialist en een psychiater stond ’s middags ook een politieman naast haar ziekenhuisbed. Iemand had haar verteld dat ze door een surveillance agent uit de Maas was gehaald. Ze twijfelde er niet aan dat dit de man in kwestie was. Hij had zijn uniform weliswaar verruild voor een spijkerbroek, coltrui en bruinleren pilotenjack maar ze herkende een dienstklopper op een kilometer afstand. De donkere wallen onder zijn ogen verrieden dat hij zijn bed vandaag nog niet had gezien. Eigen schuld, dacht ze. Wie hing er bij deze winterse temperaturen dan ook de held uit?

Hoewel ze op een verwarmde matras lag die haar lichaam geleidelijk weer op een normale temperatuur moest brengen, voelde ze zich een levende ijspegel. Hondsberoerd was ze. Het ingeslikte Maaswater en de bijwerkingen van de medicijnen deden haar geen goed. Ze had ook een slaapmiddel, of in ieder geval iets kalmerends gekregen want het kostte haar moeite helder te denken. Vooral dat laatste baarde haar zorgen want ze kon zich geen fouten veroorloven in aanwezigheid van deze smeris.

Voorzichtig strekte en boog ze de vingers van haar linkerhand. Op de één of andere manier had ze haar bovenarm in het water bezeerd. Onder het dikke verband bevond zich een lelijke snijwond volgens één van de artsen. Ach ja, een litteken meer of minder. Het zij zo. Het enige nadeel was dat ze nu nog beperkter was in haar bewegingen. Ze ontweek zijn onderzoekende blik door haar gezicht naar het raam te wenden waarachter dikke sneeuwvlokken naar beneden dwarrelden. De witte wereld zag er alles behalve aanlokkelijk uit. Sneeuw en ijs konden haar tegenwoordig niet meer bekoren. Zon en warmte slaagden er soms nog in haar verkilde hart een beetje te ontdooien maar tijdens de kerstdagen was haar laatste restje levensvreugde tot het nulpunt gezakt.

Een kuchje bracht haar terug naar de realiteit. Ze keek hem emotieloos aan. De man die haar met gevaar voor eigen leven uit het water had gered was lang, slank en atletisch gebouwd. Ruby schatte hem begin dertig. Zijn donkere lokken hadden dringend een knipbeurt nodig en zijn gezicht was een beetje pokdalig. Waarschijnlijk had hij in zijn puberjaren last van jeugdpuistjes gehad  maar zijn vriendelijke bruine ogen wekten sympathie. Zijdelings registreerde ze dat hij een gladde ring droeg. Met een scannende blik nam ze hem op. Type ideale schoonzoon en best een lekker ding. Strak kontje ook.

Maar wat maakte het uit wie hij was en hoe zijn leven eruit zag? Hij was een willekeurige voorbijganger die haar een paar vragen zou stellen waarop ze geen antwoord zou geven. Daarna zou ze hem nooit meer zien. Straks zou ze deze pagina omslaan en aan een nieuwe beginnen, de laatste.

Waarom moest hij zo nodig ingrijpen? De woede over het mislukken van haar zelfmoordpoging kwam weer bovendrijven. Ze was vooral kwaad op zichzelf omdat ze klakkeloos had aangenomen dat haar plan zou slagen. Lang geleden veranderde alles wat ze aanraakte in goud en ze kon er slecht tegen dat die gave haar in de steek had gelaten. Tegenwoordig mislukten zelfs de meest eenvoudige dingen. Zo had ze vannacht de toevallig passerende surveillancewagen niet opgemerkt. Deze agent had haar ondanks de winterse kou uit het water gehaald en gereanimeerd. Op het nippertje. Maar op haar dankbaarheid hoefde hij niet te rekenen. Vanwege hem moest ze haar wanhoopsdaad nogmaals uitvoeren.

"Zeg maar gewoon Vincent," zei de politieman na het noemen van zijn achternaam. Hij sprak haar aan in eenvoudig school-Engels met een zwaar Limburgs accent zonder te informeren of ze misschien Nederlands sprak. Vanwege haar Britse paspoort nam hij waarschijnlijk aan dat zijn achternaam, Schreinemakers, niet over haar lippen rolde zonder haar tong erover te breken. Ze besloot hem in het ongewisse te laten over haar talenkennis en antwoordde bewust met een Londense tongval.

"Oké Vince. Mijn naam is Ruth maar dat wist je al."

Ruth McKean. Zou ze ooit wennen aan haar alias? Zelfs na twee jaar voelde haar valse identiteit nog steeds vreemd. Ondanks intensief inprenten had ze een paar dagen geleden toch haar eigen naam en handtekening weer onder een formulier gezet. Net op tijd had ze haar vergissing ontdekt. Het was niet eenvoudig om in een andere huid te kruipen, maar haar eigen naam zou teveel belletjes doen rinkelen. Ze probeerde het verleden achter zich te laten. Daarom was ze hier en daarom hadden zij en haar kinderen andere namen aangenomen. Het was echter niet gelukt een nieuw leven te beginnen zoals ze zich dat had voorgesteld.

"Hoe voel je je?"

Ruby zweeg terwijl ze haar best deed om niet met haar tanden te klapperen. Ze verlangde naar een heet bad. Of beter nog, een sauna. Maar iemand had haar verteld dat ze niet te snel mocht opwarmen. Levensgevaarlijk.

Ja zeg, stel je voor dat ze het loodje legde!

"Alsof ik seks heb gehad met een vrieskist," mompelde ze binnensmonds.

"Herkenbaar," glimlachte hij.

Ruby realiseerde zich dat hij eveneens onderkoeld moest zijn of op zijn minst was geweest.

"Waarom ben je van die brug gesprongen?" vervolgde hij.

Springen? Het cynische antwoord dat op haar lippen lag slikte ze in. Was haar rolstoel hem niet opgevallen? Als hij haar uit het water had gehaald moest hij hebben gezien dat haar onderbenen ontbraken. Zwijgend keek ze weer naar buiten.

"Is het leven echt zo verschrikkelijk?"

Ze negeerde zijn vraag en bleef zijn alerte ogen ontwijken.

"Ruth...? Als je nou even meewerkt ben ik over vijf minuten weg. Dan kan ik zelf ook nog even slapen."

Moest ze nu medelijden met hem hebben? "Ik wil er niet over praten."

"Dat zou je juist wel moeten doen. Ik kan je wel in contact brengen met…"

"Nee! Ik moet helemaal niks."

Hij liet zich niet van de wijs brengen. "Ik neem aan dat je niet gelukkig bent maar twee prachtige dochters zijn volgens mij een goede reden om…"

Feilloos raakte hij haar gevoeligste snaar. Ze reageerde fel, alsof ze door een wesp werd gestoken. Haar ogen flikkerden vijandig.

"Je laat mijn kinderen met rust, hoor je?"

"Weet je dat het skikamp voortijdig is afgelast vanwege het slechte weer in de Ardennen?"

Dat wist ze niet. Ruby voelde een toenemende paniek opkomen. Waren Caitlin en Shauna eerder thuis gekomen? Wisten ze wat ze had gedaan? Waren ze van streek?

"Maak je geen zorgen," zei Vincent alsof hij haar gedachten had geraden. "Ze denken dat je een ongelukje hebt gehad en daarom een paar dagen in het ziekenhuis moet blijven. Vanavond komen ze je opzoeken."

Geen zorgen? Hij moest eens weten! "Waar zijn ze nu?"

"Mijn ouders zijn gespecialiseerd in tijdelijke noodopvang van kinderen. Ik verzeker je dat ze bij hen in goede handen zijn. Mijn vader is gepensioneerd kinderarts en mijn moeder was vroeger onderwijzeres."

Grote goden! Ze moeten onmiddellijk weg uit dat gezin. Het is te link. Een medicus, een schooljuf en een smeris. Een rampzalige combinatie.

Ruby probeerde overeind te krabbelen maar dat viel niet mee. Ze hapte naar lucht. Ademen was een marteling. Een golf van misselijkheid wist ze nog net te onderdrukken maar de duizeligheid liet zich niet verjagen. Haar hele lijf rilde ongecontroleerd en vooral haar gewonde bovenarm was pijnlijk. Het verband knelde. Waarom hadden ze haar zo strak verbonden?

"Wil je me een plezier doen en een taxi voor me bellen? Ik ga naar huis."

"Vergeet het maar. Een paar uur geleden lag je nog op de intensive care en werd je kunstmatig beademd. Geen arts die eraan denkt je in deze conditie te ontslaan."

"Moet jij eens opletten," daagde ze hem uit terwijl ze de deken demonstratief van zich afsloeg.

De stompen van haar gehalveerde benen staken onder het ziekenhuishemd uit. Het linkerbeen was net onder de knie geamputeerd, het rechter erboven. Het ontbreken van die ene knie was de belangrijkste reden waarom ze zich sinds een ongelukkige val, ruim twee jaar geleden, in een rolstoel voortbewoog. Lopen op prothesen was misschien mogelijk geweest als beide knieën gespaard waren gebleven. Als die vervloekte orthopeed destijds iets minder met de botte bijl tewerk was gegaan was de schade misschien beperkt gebleven. Nu was strompelen met een onelegant looprek het maximaal haalbare. Met behulp van haar rolstoel was ze mobieler.

"Geef je me die dingen even aan?" Ze wees naar haar kunstbenen en rolstoel waarvan ze niet wist hoe ze de weg naar haar terug hadden gevonden. Ook politie waarschijnlijk. "En mijn Ferrari graag"

Vincent weigerde resoluut. "Eigenwijsje hè? Een beetje verwend ook, als ik me niet vergis."

"Een beetje veel," beaamde ze terwijl een verlegen blos haar bleke wangen kleurde.

In haar hoofd echode de stem van haar geliefde die haar vaak plagend een klein verwend nest had genoemd. Spoiled little brat. En stubborn. Koppig. Ze hoorde het hem zeggen terwijl zij steevast antwoordde dat hij degene was die haar zo verwende. Elke wens had hij van haar gezicht gelezen.

Snel schudde ze de herinnering van zich af. Niet aan hem denken hield ze zichzelf voor. Melancholie maakte haar hartzeer alleen maar erger.

Ze schrok van de hand op haar schouder die haar zachtjes maar vastberaden in de kussens terug duwde. Vincents warmte brandde bijna door het dunne katoen heen op haar kille huid. Het voelde niet onaangenaam maar bracht haar wel van haar stuk.

"Weet je, in jouw schoenen…" Hij corrigeerde zijn bizarre verspreking. "Als ik hier lag zou ik ook graag naar huis willen maar dat kan nu nog niet. Je bent nog veel te ziek. Zodra je bent opgeknapt regel ik warme kleren voor je. Dan halen we je kinderen op en breng ik jullie thuis."

Hij viste een visitekaartje met het politielogo uit zijn binnenzak en schreef op de achterkant nog twee telefoonnummers. Welke idioot gaf zijn privé nummer aan een wildvreemde?

"Ik red me wel," stribbelde Ruby tegen.

Verstandelijk wist ze dat ze niemand kon vertrouwen, vooral hem niet. Wie weet wat er gebeurde als hij in haar achtergrond ging spitten? Maar haar intuïtie zei dat deze Maastrichtenaar een warm hart had. Hij was waarschijnlijk geen politieman geworden om boeven te vangen en verkeersboetes uit te schrijven. Hij wekte de indruk dat hij meer voldoening vond in het mensenwerk. Een idealist. Ze vond idealisme geen verkeerde eigenschap. Hulpverleners behoorden daar een gezonde portie van te bezitten maar ze bleef van mening dat ze zelf niet in de categorie hulpbehoevenden thuishoorde. Ook al was ze gehandicapt, ze kon prima haar eigen boontjes doppen.

"Dus je wilt me niet helpen met mijn proces verbaal?" vroeg hij.

Ze perste haar lippen veelbetekenend op elkaar. Berustend ritste hij zijn jas dicht en verdween na haar beterschap te hebben gewenst.

Een uur later tekende Ruby een formulier waarin ze verklaarde tegen het advies van de medische staf in het ziekenhuis te willen verlaten. Daarna belde ze Vincent, al wist ze dat ze hem uit bed belde. Dan had hij maar een ander beroep moeten kiezen, dacht ze onverschillig. Tenslotte had hij haar zijn nummers gegeven. Hoewel ze eigenlijk niets met hem te maken wilde hebben vormde uitgerekend hij de kortste weg naar haar kinderen.

In de oude Ford Escort begon de autoradio te spelen zodra Vincent de motor startte. Ruby herkende het karakteristieke stemgeluid van David Bowie onmiddellijk uit de krakende luidsprekers. The gene genie. Nee, dacht ze terwijl haar hart ineen kromp. Alsjeblieft niet. Niet David en zeker geen hits uit de zeventiger jaren.

"Mag de radio uit?"

"Waarom?" vroeg Vincent. "Zal ik een andere zender opzoeken?"

Er heerste een gespannen sfeer. Zij accepteerde zijn hulp louter omdat dit het meest efficiënt was. Hij wilde niets liever dan haar aan een vragenvuur onderwerpen maar moest met tegenzin haar weigering respecteren. De weinige woorden die ze wisselden waren zorgvuldig gekozen om de zeepbel van kunstmatige vriendelijkheid niet uiteen te laten spatten.

"Ik ben niet zo’n liefhebber van die herrie en bovendien voel ik me niet lekker. Ik heb koppijn."

Zijn blik sprak boekdelen. Dan had je in bed moeten blijven wilde hij waarschijnlijk zeggen, maar hij hield wijselijk zijn mond.

Terwijl hij de auto behoedzaam door de besneeuwde straten leidde keek hij haar even sceptisch aan. Vermoedelijk zette hij vraagtekens bij haar muzikale afkeer. Hij had gelijk. Pop en rock van de laatste decennia waren immers onlosmakelijk met hun generatie verbonden. Ze waren ermee opgegroeid. Sinds de Beatles was Londen een spreekwoordelijk broeinest van allerlei bandjes, muzikanten, vocalisten en ander jong talent. Natuurlijk was niet iedereen gecharmeerd van David Bowie. Smaken verschilden. Het was echter hoogst ongeloofwaardig dat zij, als voormalig inwoonster van de Britse hoofdstad, het hele genre als 'herrie' betitelde.

Ruby hulde zich in stilzwijgen. Vanaf haar vroegste jeugd had ze de onmetelijke invloed van muziek leren kennen. De Beatles, Rolling Stones, Elvis, Cliff Richard en vele anderen waren  muzikale iconen die hun navolgers hadden geïnspireerd tot het maken van onvergetelijke, soms legendarische nummers die een stempel drukten op het tijdsbeeld. Op hun beurt zetten zij weer een volgende generatie aan tot muzikale creativiteit. Als een oneindige olievlek zou het zich blijven verspreiden. Er bestond geen wereld, geen leven zonder muziek. Wie eenmaal met het virus besmet was raakte het nooit meer kwijt. Het stroomde door haar aderen. De radio was daarom één van de dingen waartegen Ruby zich niet kon wapenen. Aan elk liedje, elke songtekst, elke bekende band of artiest was wel een emotie of herinnering verbonden. Zelfs een kort intro was in staat haar in gedachten terug te brengen naar een moment in het verleden waarop ze dezelfde noten eerder had gehoord. Ze riepen de beelden, emoties en zelfs de geuren en smaken van toen op. Bestond er een hit uit die periode die nooit luidkeels had meegezongen? Hoe kon ze ooit een streep onder het verleden zetten als ze op de meest onverwachte ogenblikken werd geconfronteerd met de herinneringen aan alles en iedereen die haar zo dierbaar was?

"Zo goed?" vroeg Vincent terwijl hij de radio uitschakelde.

Met gesloten ogen leunde Ruby tegen de bekleding van haar zitplaats. Hoewel de verwarming op de hoogste stand in de auto blies was ze nog steeds koud en kortademig. Haar gewonde arm deed meer pijn dan ze liet merken.

"Kunnen we ergens stoppen voor een Engelse krant en een kop koffie?" vroeg ze. "Wat ze in het ziekenhuis schonken leek wel Maaswater."

Vincent verbeet een lachje. "Ik haal wel een krant. Koffie krijg je ook, maar niet hier. Mijn moeder schenkt namelijk de lekkerste koffie die je ooit hebt geproefd."

Ze wilde zeggen dat ze niet van plan was om met zijn ouders kennis te maken maar ze bedacht zich. Ze hadden haar kinderen opgevangen. Het was wel zo beleefd ze daarvoor te bedanken en even te informeren hoe de afgelopen uren waren verlopen. Zo kon ze meteen even peilen of er geen gevoelige informatie was gelekt. Ze had Caitlin en Shauna weliswaar zorgvuldig geïnstrueerd en hen doordrongen van de risico’s van loslippigheid, maar ze waren en bleven kinderen.

Bij een kiosk kocht Vincent The Times. Ruby controleerde de datum van het blad en bekeek de belangrijkste koppen op de voorpagina. Vluchtig bladerde ze door de overige pagina's. Toen vouwde ze hem weer dicht. "Ik lees hem straks wel."

Maar ze wist genoeg. Geen nieuws was goed nieuws.

"We zijn er," zei Vincent na een korte rit.

Een deftige villa in dertiger jaren stijl doemde voor haar op. Het huis was omgeven met een grote tuin met rododendrons en coniferen waar koning winter een witte deken overheen had gelegd. Vanaf het gazon klonken de vrolijk lachende stemmen van Caitlin en Shauna. Ze hadden een sneeuwpop gemaakt en gooiden nu sneeuwballen naar elkaar. Een blonde labrador retriever rende kwispelstaartend tussen beide meisjes heen en weer. Ze gingen zo op in hun spel dat ze hun moeder aanvankelijk niet eens opmerkten toen Vincent de rolstoel over de knerpende sneeuw voortduwde.

"Mama!" De twaalfjarige Caitlin, tegenwoordig omgedoopt tot Kate, was de eerste die haar begroette met een innige omhelzing. Haar rode krullen staken fel af bij het wintertafereel. "Hoe is het met je? Ben je weer beter?"

"Dokters maken het soms erger dan het is," antwoordde Ruby. Een leugentje om bestwil.

Shauna van tien, die nu naar de naam Sharon luisterde, was iets minder enthousiast. Het bleef bij een snelle kus op haar wang.

"Kijk mam, dat is Blondie. Vind je haar niet lief?"

Shauna’s haren waren dieper rood dan die van haar zus. Haar gezichtje was bezaaid met sproeten, die talrijker waren dan die van Caitlin. Beide meisjes bezaten opvallende lichtblauwe ogen die ze niet met hun moeder gemeen hadden.

"Jazeker," zei Ruby terwijl ze de hond over haar kop aaide maar zich tegelijkertijd afvroeg welke idioot het beest die naam had gegeven. Het idee dat dieren naar beroemdheden werden genoemd stond haar tegen.

"Krijgen wij nu ook eindelijk een hond?" vroeg Shauna met haar allerliefste stemmetje. "Je hebt het beloofd, weet je nog?"

"Lieve schat, toen ik dat beloofde kon ik nog lopen. Ik kan mezelf amper helpen. Hoe moet ik dan een hond verzorgen?"

"Een kleintje dan? Die kan op je schoot zitten."

"Het spijt me, lieverd. Het gaat echt niet."

Haar weigering viel niet in goede aarde. Shauna trok eerst een pruillip en draaide zich toen boos om naar haar zus. "Zie je wel? Ik zei toch dat ze het niet goed zou vinden. Ze denkt altijd alleen maar aan zichzelf."

Ruby klemde haar kaken op elkaar. Ze riep haar dochter ditmaal niet tot de orde hoewel de woorden van haar jongste dochter haar diep raakten. Zij waren de voornaamste reden dat ze naar Maastricht waren verhuisd. Ze had alles voor hen over. Letterlijk alles. Zelfs haar eigen leven offerde ze met liefde voor hen op. Maar opvoeden betekende ook dat ze niet altijd en overal hun zin kregen. Ze had haar handen al meer dan vol aan de beide meisjes. Een hond erbij zag ze niet zitten.

Toen de meisjes verder gingen met hun spel hurkte Vincent naast haar. "Als je het goed vindt mogen jullie Blondie af en toe een dagje lenen. Of jullie komen hierheen."

"Ik zal erover nadenken," zei Ruby maar haar stem verried dat ze geenszins van plan was de kennismaking na vandaag voort te zetten.

Sjeng en Yvonne Schreinemakers ontvingen Ruby allerhartelijkst. Ze kon niet ontdekken of het stel op de hoogte was van haar zelfmoordpoging. Indien dat zo was lieten ze het niet blijken. Aan alles merkte Ruby dat ze in een warm nest was beland. Onder andere omstandigheden zou ze zich hier zomaar thuis kunnen voelen. Dit waren ongecompliceerde mensen bij wie iedereen welkom was, ongeacht je status of achtergrond. Vooral Sjeng was een innemende en ontwapenende persoonlijkheid, eigenschappen waarvoor ze op haar hoede moest zijn. Dezelfde bruine ogen als zijn zoon keken haar bemoedigend aan. Met zijn grijze, dunner wordende haar en een open gezicht boven een lange gestalte met een bescheiden bierbuik straalde hij niet alleen rust, maar ook op een vriendelijke manier gezag uit. Ze kon zich helemaal voorstellen hoe hij zieke of gewonde kinderen zonder moeite overhaalde om een vervelende of pijnlijke behandeling te ondergaan. Dokter Sjeng leek op een levensgrote knuffelbeer in wiens armen je zou willen wegkruipen zodat je je weer veilig en beschermd voelde. Maar hem onderschatten zou een cruciale fout zijn. Ze vermoedde bij deze man tevens een hoge dosis levenservaring en intelligentie. Hij zou zich niet om de tuin laten leiden.

Yvonne was in veel opzichten de tegenpool van haar echtgenoot. Druk babbelend over koetjes en kalfjes liep de vrouw heen en weer om het haar gasten zo goed mogelijk naar de zin te maken. Ze leek het type dat nooit stilzat en wier handen altijd bezig waren. Zo had Ruby zich haar eigen leven voorgesteld over een jaar of twintig. De kinderen de deur uit en dan samen met je man genieten van wat het leven te bieden had. Maar dat toekomstbeeld was inmiddels achterhaald.

De ongedwongen sfeer en de ouderwetse degelijkheid deden haar denken aan haar eigen ouderlijk huis toen haar moeder er nog met de scepter zwaaide. In vergelijking met deze riante Maastrichtse villa was de kleine rijtjeswoning in de Londense arbeiderswijk Bethnal Green ronduit armoedig geweest, maar desondanks niet minder gezellig. De herinnering aan weleer maakte haar onverwacht emotioneel en ze moest een brok in haar keel wegslikken. Met een dappere glimlach dwong ze zichzelf over te schakelen naar de tegenwoordige tijd. Alert blijven was de boodschap.

In de klassiek ingerichte woonkamer verruilde ze haar rolstoel voor een grote leren fauteuil naast een brandende houtkachel. Haar smalle gestalte zakte er bijna in weg.

"Heb je het nog steeds koud?" informeerde Vincent. Hij haalde een geruite plaid tevoorschijn en drapeerde die over haar buik en benen. "Doet je arm veel pijn? Zal ik een pijnstiller voor je halen?"

Dankbaar slikte ze de twee tabletten die haar werden aangeboden. De kou in haar lijf had haar tot nu toe wakker gehouden, maar nu ze langzamerhand opwarmde werd ze overmand door vermoeidheid. Vechtend tegen de slaap richtte ze haar aandacht op het dampende kopje koffie dat Yvonne haar aanreikte. Nadat ze eerst genietend de geur opsnoof moest ze zich inhouden het zwarte nat niet in een keer achterover te slaan. Vincent had niet overdreven. Deze koffie was voortreffelijk. Als een verslaafde met ontwenningsverschijnselen snakte ze naar nog veel meer cafeïne maar ze beheerste zich en vroeg niet om een tweede kopje.

Nieuwsgierig analyseerde ze de verzameling fotolijstjes op het dressoir. Er stonden recente familiekiekjes van drie gelukkig lachende stellen en de fotogenieke plaatjes van een vijftal vertederende peuters en kleuters. Ruby twijfelde er niet aan dat al deze foto’s de kinderen en kleinkinderen van Sjeng en Yvonne betrof. Zou Vincent kinderen hebben? Ze bestudeerde de foto waarop hij samen met een oogverblindende blondine was afgebeeld maar ze kon geen treffende gelijkenis ontdekken met één van kleintjes.

"Je vrouw is een echte beauty," zei ze.

Een half uur later wist Ruby dat Sophie in haar jeugd meerdere Missverkiezingen had gewonnen. Met trots had Vincent haar nog meer foto’s getoond. Hij was tien jaar geleden voor haar charmes gevallen en had zich vervolgens erover verbaasd dat de blauwogige godin zijn liefde beantwoordde. Ze had zich zowaar door hem naar het altaar laten leiden. Maar intussen was Sophie achtentwintig. De concurrentie met jongere meisjes was moordend. Ze kreeg nog maar weinig opdrachten. Omdat ze dat moeilijk kon accepteren richtte ze zich nu op de voor de hand liggende alternatieven. Met wisselend succes probeerde ze voet aan de grond te krijgen als actrice. Enkele onbeduidende bijrolletjes in soapseries had ze al op haar naam staan, maar het betere werk bleef nog uit. Om geen kans te hoeven missen verbleef ze tegenwoordig vaker in de Randstad dan in Maastricht en bezocht ze een logopedist om haar Limburgse accent in te ruilen voor algemeen beschaafd Nederlands.

Nerveus draaide Vincent zijn trouwring in rondjes om zijn vinger. Ruby las tussen de regels dat hij de dromen van zijn vrouw niet deelde en dat dit een schaduw wierp op hun relatie.

"Sophie heeft nu auditie gedaan voor een bijrol in een kinderfilm. En een screentest, of hoe dat ook mag heten. Als dat doorgaat komt ze voorlopig helemaal niet meer thuis… Weet je, ik ben nu drieëndertig. Ik probeer Sophie al een tijdje over te halen aan een gezin te beginnen. Mijn beide zussen hebben al een stel koters. Ik verheug me op het ouderschap, maar zij blijft het voor zich uit schuiven. Er is altijd wel iets wat ze eerst moet afmaken, om dan vervolgens weer aan een nieuwe opdracht of uitdaging te beginnen."

Ruby knikte. Ambities waren haar niet vreemd. Onenigheid over de kinderwens evenmin.

Nu zijzelf niet meer het onderwerp van gesprek was ontdooide de sfeer tussen haar en Vincent. Hij won sympathie nu hij zich niet langer als agent gedroeg, geen ongemakkelijke vragen meer stelde en zijn eigen kaarten op tafel legde.

"Ben jij dit?" vroeg ze toen ze een oude schoolfoto uit een stapeltje viste.

"Oeps, die had ik je willen besparen." Vincent griste de foto uit haar handen en verstopte hem onder de andere plaatjes. "Ik was destijds een lelijk eendje."

Ik ook, dacht Ruby.

"Je bent er wel met het mooiste meisje vandoor gegaan," zei ze.

Ze nam zijn gezicht nogmaals in zich op. Een oude herinnering dook plotseling op uit het diepste van haar geheugen. Door de acné had Vincent er destijds anders uitgezien, als een groentje nog, maar in die hoedanigheid herkende ze hem nu. Ze had hem al eens ontmoet, al was het vluchtig en lang geleden geweest. Hoe klein kon de wereld zijn? Niet alleen de jeugdpuistjes behoorden tot het verleden, hij leek in niets meer op de schuchtere en onzekere slungel van toen. Destijds had ze hem aandoenlijk gevonden, de amper volwassen knul die vol bewondering en ontzag naar haar en haar man had opgekeken.

Maar aandoenlijk was hij niet meer. Het gevaar loerde in het feit dat hij haar vroeg of laat zou kunnen herkennen. Hoe lang zou het duren voordat hij Ruth McKean in verband bracht met Ruby Adams? Weliswaar was ze geen tweeëntwintig meer, waren haar lange blonde haren in een roodgeverfd kort koppie veranderd, werden haar opvallend groene ogen door bruingetinte lenzen en een brilmontuur gecamoufleerd en had een tijdelijke beugel het kenmerkende spleetje tussen haar voortanden doen verdwijnen. Maar haar belangrijkste camouflage was haar handicap. Slechts een handjevol mensen wist wat er was gebeurd. Verder verwachtte niemand haar gekluisterd aan een rolstoel terug te zien.

Het was al donker toen Ruby haar ogen opende en met enige schaamte vaststelde dat ze alsnog in slaap was gevallen. Iemand had haar naar de bank gedragen en een kussen onder haar hoofd gelegd. De plaid bedekte haar lichaam tot over haar schouders. Ze had er niks van gemerkt.

Onhandig krabbelde ze overeind. Ze voelde zich weer een beetje mens al was ze nog steeds rillerig. Haar ledematen voelden warmer aan en ook haar misselijkheid was grotendeels verdwenen. Op de salontafel vond ze haar bril terug. Waar was haar stoel? Ze moest nu echt naar huis met de kinderen.

"Gelukkig, je hebt weer kleur op je wangen."

De zware bromstem van Sjeng doorbrak de stilte. Hij zat in een spaarzaam verlichte hoek van de kamer. Ruby schrok even. Zijn aanwezigheid was haar ontgaan.

"S… sorry," hakkelde ze verlegen terwijl ze werd overvallen door een hinderlijke hoestbui.

"Gaat het? Je hebt bij je ontslag toch wel medicatie meegekregen, hè?"

"Ja," kuchte ze. Dapper probeerde ze het slijm weg te slikken. "Het spijt me echt. Het was niet mijn bedoeling om zo lang van jullie gastvrijheid gebruik te maken. Ik…"

"Je hoeft je niet te verontschuldigen. Die paar uurtjes slaap had je kennelijk nodig."

Een paar uur? Zo lang? O hemel!

"Waar is…? Waar zijn…?"

"Je kinderen helpen Yvonne in de keuken met het eten. Vincent is ook even gaan rusten maar we roepen hem zo meteen. Je eet toch wel mee, hè? Ik hoop tenminste dat je de Hollandse pot kan waarderen."

Op dat moment zwaaide een deur open. Yvonne zette een grote schaal op de gedekte eettafel aan de andere kant van de kamer. Caitlin en Sharon volgden haar met flessen bronwater en appelsap. Ruby snoof de typische geur op van uien en wortelen.

"Hutspot," prevelde ze in accentloos Nederlands. "Dat heb ik al eeuwen niet meer gegeten. Lekker!"

Op dat moment ontmoetten haar ogen de stomverbaasde blik van Vincent, die net de woonkamer betrad.

"Je spreekt zowaar Nederlands," reageerde hij verbluft. "En dan laat je mij aanklungelen met steenkolen Engels."

Ruby bloosde nu ze uit haar rol was gevallen. Ze kon zich niet nog meer blunders veroorloven.

"Nederlands met een zachte G," concludeerde Sjeng terwijl hij haar in de rolstoel hielp en haar een plekje toebedeelde aan het uiteinde van de eettafel.

"Sorry," verontschuldigde ze zich met enige schaamte. "Mijn moeder was Brabantse van origine. Ik ben tweetalig opgevoed."

Zie je nou wel, dacht ze. Daar heb je het al. Deze mensen maken me loslippig.

"Aha! En waar ben je opgegroeid als ik vragen mag?"

Sjengs priemende ogen leken dwars door haar heen te kijken.

"Londen," antwoordde ze kortaf in de hoop dat verdere vragen uitbleven. "East End."

"O ja? Dat had ik niet achter je gezocht."

"Vergis je niet. Ik kan nog steeds in onvervalst cockney vloeken en schelden," glimlachte ze. "Een prins op een wit paard bracht me beschaving en tafelmanieren bij."

Waarom zei ze dat nou? Ze moest ophouden met praten want ze mocht niet verstrikt raken in haar leugens en evenmin in de waarheid. Met haar rechterhand pakte ze haar vork omdat haar linkerarm in een mitella hing en meer pijn deed dan ze wilde toegeven.

"Dan heb je geluk gehad," merkte Sjeng op.

Zijn woorden galmden na in haar hoofd.
Geluk gehad.
Geluk.
Gehad.
Voltooid verleden tijd.

Wat was geluk? Er was niets zo vergankelijk en ongrijpbaar als geluk. Je kon het niet kopen, niet afdwingen en niet vasthouden. Het dook op de meest onverwachte momenten op en glipte vervolgens als water door je vingers. Vaak besefte je achteraf pas hoe gelukkig je was.

Was ze werkelijk zoveel gelukkiger toen ze het in materieel opzicht beter kreeg? Het enige wat ze in East End in overvloed had gehad was honger. Maar daar had ze gewoon zichzelf mogen zijn. Niemand had er ooit een punt van gemaakt als ze een uitglijder maakte. Overal kon je via de onafgesloten achterdeur naar binnen. Lief en leed werd met de hele buurt gedeeld. In geval van nood stonden de buren klaar om te helpen. Wie weinig had deelde dit met degenen die niets hadden.

Naderhand was ze met haar man in een groot huis met een enorme tuin gaan wonen die omheind werd door hoge muren en hekken. Camera’s en alarmsystemen moesten ongenode gasten op afstand houden. Ze had zichzelf en haar gezin tegen de buitenwereld moeten beschermen. Contact met de buren was ingewikkeld want zij verscholen zich net zo angstvallig achter soortgelijke afrasteringen. Toch werd er met argusogen op hen gelet en elke fout werd breed uitgemeten. Sommige mensen meenden recht te hebben op een deel van hun status of vermogen. Profiteurs en aasgieren.
Wie veel had, deelde weinig.

Ruby schepte een beetje hutspot op haar bord. Ze bedankte voor de gehaktballen maar nam wel een lepel jus. De eerste hap bracht oude tijden weer tot leven. De aanblik, geur en smaak van dit oer-Hollandse gerecht was voor altijd verbonden met de herinnering aan haar moeder.

Onbewust zocht haar hand het zilveren medaillon aan het kettinkje om haar nek, maar ze greep mis. Sinds het ongeluk had ze het unieke sierraad van haar moeder niet meer gedragen. Het lag nu veilig achter slot en grendel. Daar zou het blijven tot ze haar oude leven weer kon oppakken of, meer waarschijnlijk, tot haar testament werd geopend.

© Fanny
*Volg me ook op Twitter*

 

Alle verhalen van: Fanny

Fijn verhaal 
+4

Reacties  

Met plezier gelezen, alhoewel plezier hier misschien wat ongelukkig geformuleerd is ;-) Ik hoopte op een onluikende romance tussen Vincent en Ruth, maar helaas komt het niet zover, althans niet in dit deel? Spannend verhaal dat veel vragen oproept, natuurlijk ook door het open einde. Je hebt me absoluut helemaal in het verhaal weten te zuigen en dat kun je alleen als je écht goed kunt schrijven. Complimenten!
Dank je wel Redropes. Je doet me blozen bij zoveel lof. Dit deel mag dan een open einde hebben, het definitieve einde is nog niet in zicht ;-)