Spoorloos 12 - One of these nights

Informatie
Geschreven door Fanny
Geplaatst op 14 april 2020
Hoofdcategorie Spoorloos
Aantal reacties: 1
6166 woorden | Leestijd 31 minuten

 

One of these nights

(Eagles - 1975)



Vincent had één van de mooiste plekjes in het zonovergoten Limburgse heuvelland uitgezocht voor een picknick. Vanaf een met gras begroeide heuvel keken hij en Ruth uit op het dal van de Geul, een meanderend riviertje dat zich door het glooiende landschap kronkelde om een paar kilometer verder uit te monden in de Maas. Een kerktoren markeerde een pittoresk dorpje, omringd met akkerland, grasweiden en fruitbomen waarvan een enkele laatbloeier nog bloesem droeg. Nabij een vakwerkboerderij graasde een kudde zwart-wit gevlekte koeien. Wandelaars en fietsers bevolkten de daarvoor bestemde paden in het oogstrelende landschap. Vogels vlogen af en aan naar hun nesten en ergens blafte een hond.

Zittend op een geblokte plaid genoot het tweetal van de weldadige rust, het uitzicht en het aangenaam warme weer. Ruth plukte madeliefjes die ze handig en snel als een ketting aan elkaar reeg. De eerste hing ze om haar nek. Toen Vincent bedankte voor de eer vlocht ze de tweede bloemenkrans in haar haren. Daarmee zag ze eruit als een elfje uit de Efteling. Onbetaalbaar.

Het lunchpakket dat Vincent bij een lokale lunchroom had besteld, was grotendeels verorberd. Ruth haalde de deksel van een schaaltje met aardbeien en strooide de inhoud van een zakje suiker er overheen.

“Jij ook?” vroeg ze.

Hij opende zijn mond toen ze een sappige rode vrucht onder zijn neus hield, maar liet haar de rest opeten. Hij wist dat ze verzot was op aardbeien. Het had iets met haar jeugd te maken. Ze proefde ze voor het eerst toen ze al volwassen was, had ze hem toevertrouwd.

Voorbijgangers zouden waarschijnlijk denken dat ze een stel waren. Zo voelde Vincent het ook, alsof hij Ruth al jaren kende. Maar onderhuids knaagde zijn verantwoordelijkheid. Sophie was er ook nog. De laatste tijd probeerden ze hun relatie te verbeteren om te voorkomen dat hun huwelijksbootje uiteindelijk schipbreuk zou lijden. Dat proces verliep met de nodige ups en downs. Ze belden elkaar dagelijks en trachtten zoveel mogelijk tijd samen door te brengen door hun vrije dagen op elkaar af te stemmen, maar dat lukte slechts één of twee dagen per week. Het was te weinig om doelgericht recht te trekken wat krom was. En hoewel Sophie het stug ontkende, bleef hij het gevoel houden dat ze iets voor hem verzweeg.

Natuurlijk had hij overwogen om naar het westen te verhuizen zodat ze weer samen konden wonen. Sophie voelde zich als een vis in het water in Haarlem, maar Vincent voelde zich daar niet thuis. In Maastricht had hij zijn familie, vrienden en zijn werk. Hij was hier geboren en getogen. Moest hij alles wat hem dierbaar was opgeven? Voor Sophie was het veel minder ingrijpend om terug te komen naar Limburg, maar die uitspraak was tegen het zere been. Sophie vond het niet meer van deze tijd dat zij, als vrouw, haar dromen zou moeten opgeven voor haar man.

Met tegenzin had Vincent haar gelijk gegeven, al vond hij haar dromen niet realistisch. Die laatste gedachte had hij echter niet hardop uitgesproken. Als compromis had hij voorgesteld om in Brabant te gaan wonen. Dan moesten ze weliswaar ver reizen naar hun werk, maar zouden ze in ieder geval in hetzelfde huis thuiskomen en in hetzelfde bed slapen. Zoals verwacht ontving Sophie zijn voorstel niet met gejuich, net zoals ze botsten over een eventuele gezinsuitbreiding. Zijn vrouw vreesde de gevolgen die een zwangerschap op haar mooie lichaam zou hebben, zoals hangende borsten, striemen in haar huid, een slappe buik en een lubberende vagina.

In een alternatieve poging zijn kinderwens te realiseren had hij adoptie ter sprake gebracht. Daar wilde Sophie wel over nadenken, maar dan moest het wel een meisje met blonde haren worden. Alsof ze in een winkel een barbiepop mocht uitzoeken, die ze dan naar haar eigen voorbeeld zou optutten. Vincent was er niet meer op ingegaan. Hij was best bereid water bij de wijn te doen, maar alleen als zijn tegenpartij dat ook deed.

Ruth opende twee gekoelde blikjes bier en reikte hem er eentje aan. “Stoort het je als ik mijn prothesen af doe? Ze worden gloeiend heet in de zon.”

Ze voegde de daad bij het woord door haar broekspijpen op te rollen en haar kunstbenen vervolgens in de rolstoel te gooien die een ruime meter bij haar vandaan stond. Ze wreef met beide handen over haar pijnlijke stompen.

Vincent sloeg haar gade terwijl het bier aangenaam bruiste op zijn tong. Natuurlijk lag het niet alleen aan Sophie dat hun huwelijk in zwaar weer verkeerde. Hij wist donders goed dat hem ook het één en ander te verwijten viel, zoals bijvoorbeeld zijn gevoelens voor dit Engelse vrouwtje. Zij was één van de redenen waarom hij liever niet aan verhuizen of een andere baan wilde denken. Want zelfs als ze elkaar lange tijd niet zagen reed hij af en toe stiekem langs haar huis of de school van Kate en Sharon, gewoon om te weten dat ze er nog waren.

“Wanneer ben je je benen verloren?” vroeg Vincent. “Of mag ik dat niet vragen?”

“Dat mag je, Sherlock,” plaagde ze. “De volgende vraag is of je daarop een antwoord krijgt.”

Hij lachte. “En? Krijg ik antwoord van je?”

“Een jaar of drie geleden.”

“O? Ik had de indruk dat het langer geleden was. Je bent zo handig met die rolstoel. Heb je een ongeluk gehad?”

Ruth liet een stilte vallen. Haar gedachten dwaalden af naar die rampzalige dag in september, ruim tweeënhalf jaar geleden. Afwezig zette ze het bierflesje aan haar lippen en dronk een paar slokken.

“Ik ben thuis van de trap gevallen.”

Ze zag het ongeloof op Vincent’s gezicht terwijl hij wachtte tot ze haar verhaal zou afmaken.

“Ik kan het me zelf niet meer herinneren,” verklaarde ze. “Waarschijnlijk heb ik de afstand tot de trap verkeerd ingeschat en stapte ik mis. Ik verloor het bewustzijn en kwam weer bij in een ziekenhuis met een hoofdwond, een zware hersenschudding en een verschoven ruggenwervel. Mijn benen mankeerden niks behalve een aantal oppervlakkige schrammen en schaafwonden.”

“Hoe…?” begon Vincent, maar ze onderbrak hem.

“Het was die dag razend druk bij de Eerste Hulp. In de buurt had een ongeval plaatsgevonden waarbij een volle dubbeldekker bus betrokken was. Ambulances reden af en aan. In de hectiek zijn mijn oppervlakkige wonden niet verzorgd en vermoedelijk werden er fouten gemaakt bij het ontsmetten van materialen. Dezelfde dag werd ik geopereerd aan mijn rug. De volgende dag kreeg ik pijnlijke gezwollen voeten en koorts. De infectie breidde zich geleidelijk uit naar mijn onderbenen. Antibiotica sloegen niet aan. Uiteindelijk bleek ik besmet te zijn met een vleesetende bacterie.”

“En de enige manier om dat te verhelpen was… amputatie… Godsamme, Ruth, wat een tragedie.”

In Maastricht zwierf een drugsverslaafde rond die een arm miste, ook het gevolg van een agressieve bacterie wist Vincent. Hij pakte Ruth’s hand en kneep er bemoedigend in.

“Ik kan het nog navertellen,” zei ze. “De artsen beweerden dat ik geluk had. Een val van zo’n hoge stenen trap kan soms dodelijk zijn. Waarschijnlijk heeft de volle wasmand, die ik in mijn handen hield, mijn val deels gebroken.”

Ze zag Vincent zijn wenkbrauwen fronsen. Zojuist had ze immers gezegd dat ze zich niets herinnerde.

“Sharon was beneden in de hal en zag het gebeuren.”

“God allemachtig!”

“Vince, praat er alsjeblieft niet met Sharon over. Het ligt nogal gevoelig. Toen ik roerloos onderaan de trap bleef liggen dacht ze dat ik dood was.”

Vincent knikte woordeloos. Arme Sharon. Een kind zou zoiets nooit mogen meemaken. Een moeder trouwens ook niet.

Ruth verzweeg dat Sharon een veel gruwelijker scenario beschreef wat zich die dag had afgespeeld. Het was des te schrijnender dat haar geheugen haar uitgerekend op dat moment in de steek liet, want ze kon zich niet voorstellen dat haar dochter gelijk had. Toch moest ze het kind serieus nemen omdat niemand anders het tegendeel kon bewijzen. Weliswaar was er nog iemand getuige geweest, maar ook zijn herinnering bleek blanco.

“Ik mag hopen dat het ziekenhuis flink in de buidel heeft getast om je leed te verzachten.”

Ruth schudde haar hoofd. “Met eender welk bedrag krijg ik mijn benen niet terug. Bovendien had ik destijds andere kopzorgen met meer prioriteit. We zijn een half jaar in Schotland geweest zodat ik kon herstellen en revalideren. Voordat ik weer zelfstandig kon wonen moest ik met een rolstoel leren omgaan, zonder hulp aan- en uitkleden, douchen en naar de wc, rijden in een aangepaste auto, dat soort dingen. Intussen veranderde de situatie thuis en werd ik gedwongen te beslissen hoe ik daarna verder moest. En zo kom ik hier terecht.”

Vincent was nieuwsgierig welke andere kopzorgen ze toen had, waarom ze niet in Londen had gerevalideerd en waardoor veranderde de situatie thuis? Maar hij voelde instinctief aan dat ze hem dat niet ging uitleggen.

“Waarom Maastricht?” vroeg hij.

“Wat denk je?”

“Omdat je moeder Nederlandse was en je de taal beheerst. De ligging vlakbij de Belgische en Duitse grens misschien? Nog iets?”

“Heel goed, Sherlock. Het vliegveld biedt een rechtstreekse verbinding met London Stanstead. Als het nodig is ben ik binnen een paar uur weer thuis. En Maastricht is een historische stad met veel oude gebouwen, een gezellig uitgaansleven en een rivier dwars door het centrum.”

“Net als Londen, maar niet zo groot.”

Ruth klapte vrolijk in haar handen. “Bravo! Je mag door naar de finale.”

Toen de zon in kracht toenam maakte Ruth haar blouse los en liet hem van haar schouders glijden. Het topje gaf toch iets teveel bloot want Vincent schrok zichtbaar bij de aanblik van het grillige litteken, dat haar linker bovenarm ontsierde. Ze besteedde er geen aandacht aan en ging languit op de plaid liggen met de zon op haar gezicht. Vincent volgde haar voorbeeld. Hij rolde op zijn zij, leunde op een elleboog met een hand onder zijn hoofd. Hij kon eindeloos naar haar kijken en telkens ontdekte hij nieuwe details; een oogopslag, een beweginkje van haar neusvleugels, een moedervlekje in haar hals, een weerbarstige lok haar of een toontje in haar stem als ze neuriede. Maar het waren vooral de welvingen van haar borsten die zijn aandacht trokken. Als hij toch eens de kans kreeg…

“Wat is er?” vroeg Ruth terwijl ze de zonnebril in haar haren schoof. “Heb ik iets van je aan?”

“Als dat zo is, mag ik het dan uittrekken?”

Ze lachte hardop. “Jullie mannen zijn ook allemaal hetzelfde. Jullie denken alleen aan seks.”

“En vrouwen niet? Ik heb je zojuist wel zien kijken naar die vent op de tractor.”

“Nou en? Kijken is niet verboden.”

“Jammer genoeg niet, want dan sloeg ik je nu in de boeien en nam ik je mee naar het bureau voor verhoor.”

Allebei lachten ze.

Toen het stil werd en hun ogen kruisten was de sfeer ongedwongen. Vincent worstelde met een vraag die hem al geruime tijd bezig hield. Omdat Ruth in een mededeelzame bui was, was dit misschien een goed moment om hem te stellen. Hij raapte zijn moed bijeen en haalde diep adem.

“Laten we geen verstoppertje spelen, Ruth. Je weet donders goed dat ik verliefd op je ben. Hoewel je me duidelijk hebt gemaakt dat ik niets mag verwachten, trek je me aan als een magneet. De laatste tijd heb ik de indruk dat je me beduidend aardiger vindt dan een paar maanden geleden. Zeg eens eerlijk, wat voel jij voor mij?”

“Je kent me niet eens, Vince.”

“Dat is geen antwoord op mijn vraag… Ruth…? Wil je me alsjeblief aankijken?.”

Maar ze ontweek zijn blik bewust omdat het antwoord waarschijnlijk in haar ogen te lezen was. Zenuwachtig friemelde ze aan de blouse die naast haar lag. Ze opende haar mond maar de woorden bleven in haar keel steken. De waarheid wilde ze hem niet vertellen, maar liegen lukte niet. Tot overmaat van ramp voelde ze het bloed naar haar wangen stuwen. Haar lichaamstaal verried meer dan haar lief was. Ontkennen was zinloos.

Zijn glimlach verbreedde toen hij haar verlegen zag blozen. Geen spoor van de vrouw die soms het bloed onder zijn nagels vandaan had gehaald. Zoals ze nu was, vond hij haar vertederend lief. Hij vergat zijn goede voornemens om afstand te bewaren, kroop dichterbij en sloeg een arm om haar schouders. Gelaten liet ze het toe.

“Je mag er geen consequenties aan verbinden,” mompelde ze.

“Dat doe ik niet. Je hebt gelijk, ik tast in het duister over je verleden. Maar het feit dat mijn vader wel op de hoogte is en je zijn vertrouwen heeft geschonken, zegt voor mij genoeg.”

Ruth staarde een tijdlang zwijgend in de verte. De schoonheid van het landschap ontging haar. Wel bemerkte ze de genegenheid die Vincent uitstraalde en de warme gevoelens waarmee zij hem beantwoordde. Het was een sensatie die ze bijna was vergeten. Het voelde goed. Te goed. Toen ze opkeek ontmoetten zijn ogen de hare. Ze verdronk erin. De weeë prikkeling in haar buik was veelzeggend. Woorden werden overbodig. De onderlinge chemie was aanzienlijk sterker dan hun verstand. Allebei vergaten ze de argumenten waarom ze niet wilden of mochten toegeven aan hun verlangens. Ratio werd overgenomen door emotie. De omgeving leek op te lossen in het niets en de tijd vertraagde. Wat overbleef waren twee mensen die slechts aandacht voor elkaar hadden en niets liever wilden dan elkaar liefkozen.

Het was onontkoombaar. Gedreven door menselijk instinct bewogen hun gezichten als vanzelf naar elkaar toe. Lichamelijke processen stimuleerden liefdeshormonen. Gretig snoven ze elkaars geur op toen ze zich tegen elkaar vlijden. Hun monden vonden elkaar en lippen weken vaneen. Twee tongen likten, proefden en leidden tot een intense kus die de hunkering naar elkaar bezegelde. Handen tastten naar het lichaam van de ander. Ruth voelde een krachtige arm om haar middel. Zelf greep ze in Vincent’s haren terwijl ze haar andere arm automatisch om zijn nek sloeg. Op zijn beurt beroerden zijn vingers een vrouwenborst. Hoe lang ze elkaar zo onstuimig kusten wisten ze niet. Het konden luttele seconden zijn of vele minuten, maar de sensatie reikte tot in elke haarwortel.

Toen Vincent weer tot zijn positieven kwam voelde hij een vlakke hand op zijn borstbeen die hem weg probeerde te duwen. De kus werd verbroken, maar niet door hem.

“Stop,” hoorde hij Ruth smeken. “Vince, stop alsjeblieft.”

Onmiddellijk liet hij haar los. “Sorry,” prevelde hij schuldbewust. “Ik wilde niet…”

Ze onderbrak hem. “Jawel, je wilde dit wel. We wilden het allebei... Maar het kan niet. Jij bent getrouwd en ik…”

“Eén woord slechts... Eén woord van jou en ik vertel Sophie vandaag nog dat ik wil scheiden.”

Tot zijn eigen verbazing besefte Vincent dat hij het meende. Zijn hart bonkte tegen zijn ribben en hij hijgde alsof hij net een marathon had gelopen. Ze kon overheerlijk zoenen. De smaak van haar mond kleefde aangenaam en zoet op zijn lippen. Vandaag zou hij zijn tanden niet meer poetsen. In zijn handpalm voelde hij nog de afdruk van haar borst en bijbehorende tepel. De verleiding, dacht hij, de verleiding wordt alleen maar groter.  

Ruth keerde hem de rug toe en schoof een paar meter van hem vandaan. Vincent zag dat ze een zilverkleurige koker uit haar handtas opdiepte en een sigaret en aansteker tevoorschijn haalde. Uit haar bewegingen maakte hij op dat ze de sigaret opstak, diep inhaleerde en de rook even later krachtig uitblies.

“Ik wist niet dat je rookte,” probeerde hij het stilzwijgen te doorbreken.

De gespannen sfeer werkte op zijn zenuwen. Hij voelde zich ongemakkelijk door de anticlimax van haar afwijzing, al had hij de voorgaande uren – en met name de afgelopen minuten - voor geen goud willen missen.

“Soms,” reageerde ze zonder zich om te draaien. “Als ik een stommiteit bega.”

“Wie is hier de stommeling? Ik had beter moeten weten.”

Ruth drukte haar half opgerookte peuk uit en keek hem over haar schouder aan. Haar ogen waren vochtig, constateerde Vincent, maar haar mondhoeken krulden ietwat omhoog.

“Gaan we nu bekvechten over de schuldvraag? Of zullen we de verantwoordelijkheid eerlijk verdelen?”

Onelegant kroop ze weer naar hem toe. De lege uiteinden van haar broekspijpen sleepte ze als dweilen achter zich aan. Rusteloos positioneerde ze zich recht tegenover hem. Ze leek naar woorden te zoeken. Vincent wachtte rustig af, al had hij wel een vermoeden wat ze hem ging vertellen. De boodschap zou hetzelfde zijn als de vorige keren, maar waarschijnlijk zou ze hem ditmaal wat subtieler vragen haar met rust te laten. Hij zag hoe ze nerveus aan haar blouse frunnikte, met haar oogleden knipperde en even langs haar neus wreef. Wat was er zo spannend?

“Goed,” zei ze. “Ik wil eerlijk tegen je zijn, maar ik moet je kunnen vertrouwen. Geen woord. Tegen niemand.”

“Wat het ook is, het blijft tussen ons. Beloofd.”

“Ook als ik iets vertel wat indruist tegen je principes of de wet?”

Hij keek haar lang en doordringend aan. “Ja.”

Weer leek ze moed te verzamelen. Bij Vincent steeg de spanning ook. Ging ze eindelijk het mysterie onthullen?

“Je hebt intussen wel begrepen dat mijn identiteit niet klopt en mijn verhaal evenmin,” begon ze aarzelend. “Ik ben geen weduwe.”

Hij zweeg omdat hij haar niet wilde onderbreken, maar het vermoeden rees dat hij dit gesprek inderdaad niet leuk ging vinden. Betekende dit dat ze gebonden was? Was ze nog getrouwd?

“Mijn man leeft,” bevestigde ze. “Ex-man. Ik ben van hem gescheiden, maar niet van harte. Hij was… is… mijn grote liefde. Ik mis hem verschrikkelijk. Er gaat geen uur voorbij...” Ze slikte.

Vincent snapte er niks van. “Waarom ga je dan niet naar hem terug?”

“Onmogelijk. Niet voordat de kust weer veilig is. Maar zodra het kan gaan we weer naar Londen en hoop ik de draad weer op te kunnen pakken… Nee, laat me even uitpraten… Ik weet wat je wil zeggen; de tijd staat niet stil, het leven gaat door en de kans dat hij me terug wil als zijn vrouw wordt elke dag kleiner. Misschien heeft hij inmiddels een andere liefde gevonden. Maar ik wil in ieder geval onze vriendschap herstellen.”

“Je houdt de deur voor hem op een kier,” vatte Vincent haar woorden samen. “En daarom is die deur voor mij op slot.”

“Ja.”

Ruth zag dat haar woorden hun uitwerking niet misten. Zijn gezicht vertrok in een pijnlijke grimas en zijn adamsappel bewoog moeizaam toen hij slikte. Ze haatte zichzelf erom, maar juist omdat hij haar zo dierbaar was wilde ze open zijn over haar toekomstplannen. Hoe langer ze hem in de waan liet dat haar hart beschikbaar was, hoe harder de waarheid hem zou treffen. De keuzes die hij zou maken in zijn relatie met Sophie, mochten niet door haar worden beïnvloed. Ze wilde geen directe of indirecte aanleiding zijn voor een eventuele echtbreuk. Vincent mocht er niet van uitgaan dat hij met haar een toekomst had als zijn huwelijksbootje zou stranden. Ze gunde hem een gelukkig leven met Sophie of een andere vrouw, maar een relatie met haar was bij voorbaat gedoemd te mislukken.

Ja, ze was verliefd op hem. Onder andere omstandigheden zou ze Vincent graag een kans hebben gegund. Het was voor haar niet minder moeilijk dan voor hem om niet toe te geven aan het verlangen naar elkaar, maar ze zag geen andere mogelijkheid. De weg terug naar haar geliefde vaderland moest open blijven, ook al betekende elke dag in Nederland dat zich meer hindernissen ophoopten die hereniging met haar liefste bemoeilijkten. En in het ergste geval zou dat nog zeven jaar duren.

“Als Ruth McKean niet je echte naam is, hoe kom je dan aan een authentiek paspoort?”

“Wie genoeg geld heeft kan alles kopen,” bekende ze eerlijk. “Ik ben er niet trots op maar ik had geen keuze.”

Op basis van zijn beroep wilde Vincent dat inderdaad liever niet weten. “Wat bedoel je met ‘als de kust veilig is’?” vroeg hij. “Werd je bedreigd? Eiste je man de kinderen op? Was hij verwikkeld in louche praktijken? Verstop je je voor hem?”

“Je hebt last van beroepsdeformatie,” glimlachte Ruth mat. “Ik wil niet beweren dat ik altijd netjes binnen de lijntjes heb gekleurd. Het is een lang en complex verhaal.”

“Ik heb de hele dag tijd om te luisteren.”

“Ik niet. Kate en Sharon komen over een half uur uit school.”

Een blik op zijn horloge bewees dat ze gelijk had. Kut! Na het opruimen van de rommel waren ze tien minuten later op weg naar Maastricht. De aaneen gevlochten madeliefjes bleven als stille getuigen achter in het gras.


<> <> <>


Maastricht, begin augustus 1991; ruim twee maanden later

De nacht was zwoel. Vincent surveilleerde met zijn vriend en collega Pascal in de straten van Maastricht. Ze hadden rond middernacht een ronde lopend afgelegd in het centrum waar ze enkele meldingen hadden afgehandeld. Een vechtpartij in een kroeg, een naakte junk die zich in het openbaar misdroeg, een aanrijding waarbij een bestuurder licht gewond raakte, twee klachten van burenoverlast, een fietsendief die ze op heterdaad betrapten en een handvol verkeersboetes.

Inmiddels was het iets over vijven en reden ze op hun gemak door de stad. Ze controleerden de coffeeshops in de grensstreek, plekken waar hangjongeren met regelmaat de rust verstoorden, de inbraakgevoelige straten en verlaten bedrijventerreinen. Ze troffen er geen onregelmatigheden aan. Zelfs onruststokers en criminelen schenen de stad tijdelijk te hebben ingeruild voor zon, zee en strand.

Vincent vond zo'n relaxte nachtdienst een aangename afwisseling, vooral in de zomer wanneer het ’s nachts aangenaam koel was. Overdag, in de volle zon, was het dragen van het politie-uniform namelijk geen pretje. Omdat er de afgelopen uren weinig actie was geweest leek de tijd stil te staan en sloeg de vermoeidheid eerder dan gebruikelijk toe. Maar in het oosten werd geleidelijk een diep oranje gloed zichtbaar als voorbode van de opkomende zon. Het einde van hun dienst naderde.

Pascal, die op de bijrijdersstoel vocht tegen zijn vermoeidheid, schrok op toen de portofoon plotseling begon te kraken.

"Locatie stuw Borgharen," zei een collega van de meldkamer. "Een vroege wandelaar heeft gemeld dat zich een persoon bij de sluis bevindt die een verwarde indruk maakt.”

“Toch niet toevallig een invalide vrouw?”

Pascal wisselde een veelbetekenende blik met Vincent. Beide mannen kregen opeens een visioen van een andere nacht.

“Dat is niet bekend,” luidde het antwoord. “Maar er staat een grijze Volkswagen Golf in de nabijheid geparkeerd.”

Ruth?

Vincent kreeg kippenvel. Hij aarzelde niet en keerde de auto om vervolgens plankgas naar het noorden te rijden. De sirene en zwaailichten schakelde hij niet in. Er was bijna geen hond op straat en verwarde personen bracht je beter niet bij voorbaat op de hoogte van je komst. Ze reageerden vaak onvoorspelbaar.

Laat het een vergissing zijn, dacht hij. Want Ruth was immers niet meer suïcidaal. Of wel? Had ze een terugval? Was er iets gebeurd? Hij besefte dat hij niets zeker wist. Sinds die ene gedenkwaardige dag in mei, toen hij met haar was gaan vliegen, had hij haar niet meer gezien of gesproken. Hij had zijn familie gevraagd om geen mededelingen meer te doen over haar of haar kinderen, en ook niet andersom. Het was tenslotte onmogelijk om zijn huwelijk nieuw leven in te blazen als hij telkens werd herinnerd aan de vrouw die hem in zijn dromen bleef achtervolgen. Haar in praktische zin ontwijken was niet zo moeilijk, maar hoe kon hij haar ooit uit zijn gedachten bannen?

De stuw! Hoe kwam iemand op dat onzalige idee? Hij vond de kolos van beton en staal een uitermate mistroostige plek. Zijn klamme handen omklemden het stuur zo stevig dat zijn knokkels wit werden. De adrenaline joeg door zijn aderen. Hij vloekte binnensmonds. 

"Niet panikeren voor we zekerheid hebben," zei Pascal. "We weten niet of het haar auto is. Er staan wel tien grijze Golfjes op elke parkeerplaats."

Gelukkig behield zijn collega zijn nuchterheid. Ze naderden de sluis met gedoofde koplampen en parkeerden op enige afstand. Geruisloos stapten beide mannen uit en constateerden dat de genoemde auto inderdaad van Ruth was, maar zijzelf was nergens te bekennen. Het zweet brak Vincent uit. Met een blik van verstandhouding naar zijn collega liet hij zijn wapenuitrusting achter in de surveillancewagen. Als één van hen het water in moest, zou hij dat zijn. Ze hadden allebei een prima conditie, maar Vincent bezat meer uithoudingsvermogen.

Zijn ogen richtten zich geconcentreerd op de omgeving, voor zover dat mogelijk was in het bijna donker. Getraind om elk detail in zich op te nemen speurde hij systematisch de oevers af, het water, de dijken, het omliggende groen en natuurlijk de sluis zelf. Hij registreerde de steile oevers en aanlegsteigers, de obstakels en de donkere delen die in de vroege ochtendschemering nauwelijks waarneembaar waren. Mocht hij genoodzaakt zijn een duik te nemen kwam hij er zonder hulp niet uit, zeker niet met een levenloos of spartelend lichaam onder zijn arm. Goddank was er momenteel geen scheepvaart aanwezig die het overzicht bemoeilijkte.

Pascal tikte op zijn schouder en wees naar een punt, een tiental meters van de sluis verwijderd. Daar tekende zich nauwelijks zichtbaar het silhouet af van een eenzame gestalte. Ze zat ineengedoken op een smalle betonnen dam die de Maas scheidde van het Julianakanaal, met aan weerszijden water. Haar gezicht werd plotseling kort verlicht door een aansteker. Welke stommiteit ze vandaag beging, was niet moeilijk te raden. Vincent probeerde zijn toenemende nervositeit te negeren. Kalm blijven, dacht hij. Gewoon op dezelfde manier handelen als wanneer het een onbekende vrouw betrof.

"Ik stel me verdekt op,” fluisterde Pascal. “Geef aan als je hulp nodig hebt. Ik vraag brandweer en ambulance stand-by te zijn, just in case."

Vincent knikte. Hij moest Ruth behoedzaam benaderen om eerst haar gemoedstoestand te peilen. Vervolgens was het cruciaal dat hij voorkwam dat ze in het water belandde. Bij voorkeur zou hij haar, met of zonder dwang, zo snel mogelijk op veilige afstand van het water brengen. Onwillekeurig kneep hij zijn handen open en dicht terwijl hij zich mentaal voorbereidde op haar mogelijk felle verzet. Hij wreef zijn handpalmen droog en schopte zijn schoenen uit op het moment dat de eerste zonnestralen haar verlichtten. Waar was haar rolstoel eigenlijk?

Haar rood gezwollen ogen wezen erop dat ze had gehuild. Ze droeg een zwart mouwloos topje en een zwarte broek met afgeknipte pijpen. Aan de onderkant kleefde bloed. Haar handen lagen slap op haar bovenbenen. Tussen twee vingers van haar rechterhand klemde ze een half opgebrande sigaret. Naast haar lag een aangebroken pakje. Omdat Vincent haar van links naderde viel hem nog iets op; een tatoeage op haar bovenarm, op de plek van het litteken. Een bloemmotief, maar omdat hij zich niet mocht laten afleiden negeerde hij het.

Niets wees erop dat Ruth hem had gehoord of gezien, daarom kwam haar opmerking onverwacht. “Volgens mijn informatie had jij geen nachtdienst.”

Het verbaasde hem niet dat ze zijn rooster op de één of andere manier had gecontroleerd. Ze wilde hem óf ontzien, óf de confrontatie met hem vermijden.

“Klopt. Ik heb geruild met een collega omdat hij geen oppas had voor zijn zoontje. Zijn vrouw ligt in het ziekenhuis.”

Ze nam nog een trekje van haar sigaret. Met trage bewegingen ging Vincent op ongeveer een armlengte afstand naast haar zitten. Het donkere water onder zijn voeten had iets lugubers. Hij rilde.

“Je hebt je benen opengehaald. Ben je hierheen gekropen?”

“Ja.”

Vincent liet niet merken wat hij daarvan vond. Zijn mond was droog. Onzekerheid deed zijn maag samenkrimpen. Als dit maar goed ging! Hij ervoer wat het betekende om emotioneel betrokken te zijn. Twijfelend aan zijn professionele vermogen in deze situatie bedacht hij dat hij dit beter aan Pascal of iemand anders had kunnen overlaten. Maar dat besef kwam te laat. Hij moest nu handelen. Blijven praten, had hij geleerd. Praten en rustig blijven.

“Alles goed met Kate en Sharon?”

Ruth mikte de nog brandende peuk in het water en antwoordde met schorre stem. “Ze zijn een paar dagen op zomerkamp. Kate wilde niets liever dan zeilen in Friesland en Sharon had haar zinnen gezet op een survival in de Ardennen. Ik heb mijn veto uitgesproken. Na twee weken ruziën zijn ze nu paardrijden in de buurt van Roermond.”

“Je mist ze.”

Ze humde bevestigend. “Het is zo verrekte stil als mijn heksjes niet thuis zijn. Naar bed gaan en wakker worden in een leeg huis… In mijn eentje eten…”

Dat gevoel kende hij. “Ik snap het helemaal.”

“Ik mis jou ook,” fluisterde ze.

Vincent's hart sloeg een slag over. “En ik jou.”

Hij schoof een stukje dichter naar haar toe. Hoe graag had hij haar nu liefdevol omarmd, gekust en verteld dat alles goed zou komen. Dat hij er altijd voor haar zou zijn. Als ze hem toe zou laten in haar leven. Maar hij was in functie. Pascal keek op een afstand toe en lichamelijk contact was uitsluitend toegestaan als de situatie dat vereiste.

Zonder haar uit het oog te verliezen haalde hij een schone zakdoek uit zijn zak. Zakdoeken behoorden tot zijn standaarduitrusting. Er gingen weinig werkdagen voorbij dat hij er geen nodig had. Ze droogden de tranen van verdwaalde kinderen, wanhopige vrouwen, zwakke ouderen en soms ook grote sterke kerels met een klein hartje.

“Waarom?” vroeg hij terwijl ze zijn zakdoek aannam en verwoed over haar ogen en wangen wreef, waardoor de vlekken in haar gezicht nog roder werden. “Waarom doe je dit nu weer?”

Ze snoot haar neus. “Het is niet wat je denkt, Vince. Maak je geen zorgen.”

“Wat is het dan wel?”

“Water kalmeert.” Haar vingers speelden met de vieze zakdoek. Met vochtige ogen keek ze naar hem op. “De muren kwamen op me af. Ik hield het thuis niet uit…”

Ze was vandaag jarig. Vincent kon dat niet weten omdat ze volgens haar huidige paspoort een maand jonger was dan in realiteit. Maar voor het eerst in achtendertig jaar was er niemand die er aandacht aan besteedde. Geen knuffels, geen lief kaartje in de post, geen bloemen, niemand die ‘happy birthday’ voor haar zong. Niks. Niemand. Ruth was iemand die graag mensen om zich heen had. Een paar uurtjes alleen zijn als de kinderen naar school waren, was niet zo erg. Ze had overdag afleiding en bezigheden genoeg. Maar nu Kate en Sharon op zomerkamp waren voelde ze zich, behalve alleen, ook diep ongelukkig. Heimwee sloeg op zulke momenten genadeloos toe. Heimwee naar haar liefste, haar broertje, haar vrienden, haar vaderland en alles wat enigszins Engels was.

Het was geen drama. Er waren ergere dingen in het leven dan een vergeten verjaardag en de afwezigheid van haar meiden, dat besefte ze wel. Haar geboortedag was maar een datum, een dag als alle andere. Haar leeftijd slechts een cijfer. Maar exact twintig jaar geleden had ze op deze dag ook haar jawoord gegeven aan Kian. Ze wist zeker dat hij vandaag aan haar zou denken. Kon ze hem maar heel even zien, zijn stem horen, door zijn wilde haren woelen… Hoewel… Misschien wilde hij helemaal niets meer met haar te maken hebben. Het was niet ondenkbaar dat hij haar haatte, vervloekte en verafschuwde om alles wat ze hem had aangedaan.

Opnieuw voelde ze de tranen opwellen. Hoe lang kon ze dit fictieve leven nog volhouden? Hoe lang nog voor ze mentaal zou breken en haar geheim niet langer kon verzwijgen? Hoe lang nog voor het onheil, waaraan ze maar nipt was ontkomen, alsnog waarheid werd?

Vincent zuchtte. “Waarom zoek je dan toch het water weer op? Je had ook iemand kunnen bellen. Mijn vader bijvoorbeeld of… ga ergens op een bankje zitten. Waar dan ook, maar niet langs het water. Je jaagt me telkens de stuipen op het lijf.”

“Laat je me nu weer opsluiten?” vroeg ze met bevende stem.

“Dat ligt aan jou. Ik stel voor dat je naar mijn ouders gaat. Wij rijden achter je om uit te sluiten dat je alsnog een ander plan ten uitvoer brengt. In dat geval luidt ons rapport dat we een verwarde vrouw hebben aangetroffen en naar een veilige plek hebben begeleid. Einde verhaal. Maar we gaan eerst naar de Eerste Hulp om je benen te laten verzorgen.”

“Dat kan ik zelf ook. Het zijn maar schaafwonden.”

“Dat mag wel zo zijn, maar een injectie tegen Tetanus lijkt me geen overbodige luxe. Ga je mee?”

Het enige lichtpuntje was dat Vincent haar naar de auto moest dragen. Zo kreeg hij toch geheel legaal de kans haar even stevig vast te houden. Daarbij viel hem op hoe spectaculair de zonsopkomst op dat moment was. Alsof de zon de hele omgeving in vuur en vlam had gezet. De hemel kleurde in vele tinten, van lichtgeel tot dieppaars, terwijl de stuw en het landschap zich als zwarte schaduwen ertegen aftekenden.

<> <> <>


Vanaf de kleine patio achter haar woning werd het uitzicht deels belemmerd door de omliggende huizen en bomen. Daarom kon Ruth niet beoordelen of de zonsondergang net zo indrukwekkend was als de zonsopkomst van die ochtend. Het palet van diverse tinten blauw en rood aan een onbewolkte hemel was echter het bekijken waard. Zuchtend gooide ze de map met papieren op de tuintafel en legde haar pen en bril er bovenop. Haar armen, schouders en nek strekkend leerde dat ze te lang in dezelfde houding had gezeten. Ook merkte ze dat ze de afgelopen vierentwintig uur weinig slaap had gehad. Nou ja, niemand zou zich eraan storen als ze vanavond vroeg naar bed ging. Het was nu ongeveer negen uur. Nog even opruimen en dan…

Ze spitste haar oren. Vergiste ze zich of hoorde ze iets bij de voordeur? Ze wilde net naar binnen gaan toen iemand aan de tuindeur rammelde.

“Ruth?”

“Vince…?”

Ze deed de tuindeur van het slot. Zijn aanblik deed haar vermoeidheid als sneeuw voor de zon verdwijnen. Gekleed in een korte sportbroek, T-shirt, sokken en sportschoenen veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.

“Ben je dat hele eind komen lopen?” vroeg ze.

“Sporten moet ik toch en het is fijn om een doel te hebben. Ik kom alleen even kijken of je oké bent. Je bel doet het niet trouwens.”

“Dat weet ik. Ik wilde niet gestoord worden bij mijn ‘one woman party’.”

“O, dan ga ik maar weer,” grinnikte Vincent en beantwoordde haar knipoog.

Hij draaide zich om, maar niet met de bedoeling weg te gaan. Ruth’s lachende gezicht vertelde dat ze blij was met zijn komst en dat was precies waarop hij had gehoopt. Er was geen wiskundeknobbel voor nodig om te achterhalen dat Kate en Sharon niet eerder dan morgenmiddag weer thuis zouden komen. Ze was alleen. En hij ook. Geen van beiden wilde de nacht in een leeg huis doorbrengen. Erg lang had hij niet geaarzeld voor hij besloot de gok te wagen. Het was een unieke kans die zich niet snel zou herhalen. In het ergste geval stuurde ze hem weer weg. Maar in het gunstigste geval… De herinnering aan die ene kus liet hem niet los. Dat smaakte naar meer, maar hoe ver mocht hij gaan en hoe pakte hij dat überhaupt aan? Het was lang geleden dat hij voor het laatst een vrouw had versierd.

“Er staat een goede fles druivensap op het aanrecht. Als jij zo lief wil zijn om twee glazen te vullen…?”

Vincent was al onderweg. Eigenlijk was hij geen wijndrinker, daarom rook en proefde hij eerst aan de Sauvignon Blanc in de wijnkoeler. Omdat de smaak aangenaam tintelde op zijn smaakpapillen nam hij aan dat deze fles niet uit het schap van een supermarkt kwam. Een doosje van een naburige bakkerij trok zijn aandacht.

“Je hebt saucijzenbroodjes! Mag ik…?”

“Eet ze maar op,” was Ruth’s antwoord. “Ik heb mijn eigen eetlust overschat.”

“Zijn er wel mannen welkom op je one woman party?” vroeg hij met volle mond toen hij het dienblad op tafel zette en naast Ruth op de houten tuinbank plaatsnam.

Ze nipte genietend van haar wijn. “Alleen jij.”

“Ik voel me gevleid. Wat vieren we?”

“Ik ben vandaag precies zevenendertig jaar en elf maanden,” loog Ruth.

“Proficiat! Zal ik slingers en ballonnen voor je ophangen?”

Ze lachte hartelijk. “Dat mag je volgende maand doen.”

“Is dat een uitnodiging?” Hij nam een gretige hap van zijn broodje. “Dan neem ik een cadeautje voor je mee.”

“Niet nodig. Jij bent mijn cadeautje.”

Er speelde een raadselachtig glimlachje om haar mond. Of was het een spottend lachje? Plaagde ze hem? Had ze hem door? Natuurlijk had ze hem door. In de toenemende duisternis zag hij de schittering in haar ogen en het likken van haar lippen. De sfeer was anders dan anders. Apart. Zelfs ietwat uitdagend. Er knetterde iets tussen hen. Verlangen? Of was het niets meer of minder dan seks? Het sneller kloppen van zijn hart joeg meer bloed naar zijn kruis, maar meer dan een lichte zwelling veroorzaakte het niet. Vooralsnog liet Ruth niet blijken of ze meer wilde dan gezellig keuvelen bij een paar wijntjes. En hij had nog niet genoeg moed verzameld om een volgende stap te zetten. Op dit moment lagen alle wegen nog open, ook de terugweg naar huis.

(wordt vervolgd)

© Fanny, april 2020

 

 

Alle verhalen van: Fanny

Fijn verhaal 
+8

Reacties  

Ik kan niet wachten tot de volgende delen. Zo mooi! :-)